zondag 5 januari 2025

Creatief bedelen

Het regent. Ik loop door de stad, op weg naar mijn woning. De pet wat dieper in mijn ogen getrokken vanwege de druppels. De boodschappen in mijn rugzakje deinen mee met mijn snelle pas.

Op een afstandje zie ik een man met twee honden lopen. Dat afstandje blijkt snel overwonnen als hij me aanspreekt. "Dag kerel, heb je even?"

De aanspreekvorm 'kerel' ben ik niet zo gewend van mensen die me niet kennen. Het zet me meteen op standje waakzaam.

Voordat ik goed en wel iets terug kan zeggen, neemt hij het woord. Hij realiseert zich dat hij er met zijn postuur een zijn grote honden gevaarlijk uitziet, zegt hij. En terwijl een van die honden rustig aan mijn schoenen en broekspijpen snuffelt, gaat hij door. Hij is zijn woning kwijtgeraakt door omstandigheden. Moet het nu zelf maar uitzoeken zonder een dak boven zijn hoofd. Eigenlijk heeft hij helemaal geen zin om mensen aan te spreken voor geld, want dat vindt hij vervelend.

"Ik heb vroeger ook echt wel gewerkt voor mijn geld," vervolgt hij. Maar door onverwachte omstandigheden en tegenvallers raakte hij het spoor een beetje bijster.

"Tja, en ik wil toch ook graag wat eten," zegt hij en kijkt me indringend aan. "Er zijn mensen die me geen geld geven omdat ze zeggen dat ik dat dan uitgeef aan drank en drugs, maar daar heb ik geen zin in. Het gaat mij om iets te eten."

Ik zeg - naar waarheid - dat ik geen geld bij me heb.

De man laat zich daardoor niet uit het veld slaan. "We kunnen best samen naar de supermarkt lopen," oppert hij, "zodat jij daar wat boodschappen voor me doet. Kun je gewoon pinnen."

Kwestie van creatief bedelen, denk ik. Het voelt onaangenaam.

In mijn gedachten flitst een andere man voorbij in een naburige stad, die ook door misstanden en misstappen langs de zijlijn van het leven was beland. We maakten wel eens een praatje. Hij vroeg nooit iets, maar ik heb hem wel een paar keer iets gegeven. Omdat hij me raakte met zijn verhaal. En omdat ik ook maar een mens ben.

Ik besluit geen boodschappen voor de man te doen. Hij merkt het aan me. Zijn toon verandert licht, zo lijkt het. "Nou loop ik hier regelmatig rond en weet dat er hier om de hoek een geldautomaat is. Daar kun je gewoon wat geld voor me pinnen. Ik loop wel met je mee."

Wat gaan we nou krijgen? Het voelt bijna als een overval in een mooi pakpapiertje. Hij blijft me aankijken bij zijn onbescheiden voorstel. Het heeft iets intimiderends, ook al laat ik me daar niet door beïnvloeden.

Ik zeg dat ik daar weinig voor voel en wens hem veel sterkte toe en een fijne dag verder.

"Nou dan, smakelijk eten vanavond," gromt hij en loopt weg met zijn twee honden. Het cynisme in zijn toon ontgaat me niet. Ik laat het los en vervolg mijn weg.

Onwillekeurig heb ik me vanavond toch nog even afgevraagd wat en waar de man gegeten heeft - áls hij al gegeten heeft.

dinsdag 9 juli 2024

Een sprong in het diepe

Ze staat zelfverzekerd naast me, bijna mijn lengte. Ze lacht. Het vliegtuig taxiet over het platform tot voor onze neus. De turboprop maakt een hels lawaai. Het geluid fascineert me - net als het vliegtuig zelf ook trouwens.

Samen met de anderen klautert mijn dochter het vliegtuig in. Inclusief ondergetekende.

Pas nog slaagde ze voor haar eindexamen. Als cadeau wilde ze skydiven. "Nou, dan doen we dat toch," zei ik zonder na te denken. De herinnering voerde me terug naar een mooie zomerdag, zowat een jaar of dertig geleden. "Ready, set, go!" klonk het in mijn oor. Samen met mijn instructeur viel ik uit het vliegtuig in een gat van tweeënhalve kilometer diep. De kick van m'n leven.

Het bleef bij die ene keer.

Tot vandaag. 

"Normaal maken we tandemsprongen op drie kilometer, maar vandaag hebben we een paar sportspringers mee, en dus gaan we een kilometer hoger," zegt de instructeur vrolijk. "Jullie hebben geluk!" Mijn dochter kijkt me breed lachend en met grote ogen aan. "Yesss," klinkt het uit haar mond.

Als we boven het wolkendek uit stijgen, is de hemel azuurblauw en schijnt de zon ons vrolijk tegemoet. En hoewel ze al een keer eerder in een vliegtuig heeft gezeten, zie ik dat ze haar ogen uitkijkt. "Wow, wát mooi!'', roept ze boven het lawaai van het vliegtuig uit. En gelijk heeft ze.

Als de roldeur opent, zijn de sportspringers in no-time het vliegtuig uit. Dochterlief schuift met haar instructeur naar de deur. Ik zie haar opgetogen gezicht. Heel kort maar, want zonder enige aarzeling laat ze zich meevoeren de diepte in. Hoppa, zo doe je dat.

Zestien lentes jong is ze. Ik had dezelfde leeftijd toen mijn vader verongelukte. Dood in een vingerknip. Ik zie hem voor me. En dan gebeurt er iets. Mijn adem stokt. De instructeur voelt mijn automatische handrem. "Kom, dit doe je voor je dochter," roept hij boven het lawaai uit en knijpt in mijn bovenarmen. 

Mijn benen bungelen uit de deuropening van het vliegtuig. Alsof ik op een bankje zit van vier kilometer hoog. Het waait hard en ik kijk uit over het wolkendek.

Handrem los. Waarom ook niet. Been there, done that. En dan maak ik voor de tweede keer in mijn leven letterlijk een sprong in het diepe.

Een kwartiertje later zit ik met mijn dochter achter een kop koffie en een punt appeltaart. "Het was écht helemaal te gek," zegt voor de tiende keer. Ik kan niet anders dan het met haar eens zijn. We lachen en kijken elkaar begrijpend aan.

Ik vertel haar niet over mijn handrem. En over mijn vader die me daar boven influisterde dat die handrem niet nodig was. Ik ben trots op mijn dochter, de coole chick. En ook een beetje op mezelf.

zondag 24 maart 2024

Een verrassend etentje

Soms valt er wat te vieren. Zo ook nu. Samen met mijn lief en mijn kinderen gaan we naar een restaurant in de binnenstad. Ik ken de tent niet, maar een collega was er enthousiast over. Daar durf ik dan wel op te vertrouwen.

We stappen over de drempel en laten ons door een serveerster naar onze gereserveerde tafel loodsen. Of we iets willen drinken? Ik ben op het moment wel te vangen voor een droge witte. Snel noemt ze de droge witten op die ze achter de bar hebben, maar ik versta er niets van. Dat ligt deels aan de akoestiek in de ruimte, maar ook - en vooral - aan haar snelheid van spreken. Een lichte irritatie begint in me op te borrelen, maar ik vraag beleefd of ze het rijtje nog eens wil opnoemen. Het resultaat is hetzelfde, dus geef ik de moed op en zeg dat ik de eerste uit het rijtje wil.

Overigens blijkt dat een prima keuze, maar dat terzijde.

De menukaart? "Die hebben we niet, maar u kunt de QR-code scannen die op uw tafel ligt. Dan heeft u de kaart op uw telefoon." 
Dát is nog eens handig. Vooral als je je telefoon niet bij je hebt of als de accu van het ding leeg is. 
Hoewel ik een volgeladen mobiele Koreaan in mijn binnenzak heb, heeft mijn lief de QR al gescand. Ook de kinderen kijken op dat moment al naar de kaart op hun schermpjes.

Of we het concept kennen, vraagt de serveerster als ze mijn droge witte voor me op tafel zet. Concept? Nee dus. Ze legt kort uit dat de porties klein zijn en dat ze het concept 'shared dining' omarmen. Dus dat je je eten deelt met je tafelgenoten, zoiets.

En dus besluiten we allemaal iets anders te bestellen. Wat er bij de gerechten geserveerd wordt? Niets. Afijn, we bestellen er dus maar patat bij. Mijn irritatie wordt er niet minder op. Zeker als ik mijn tafelgenoten amper kan verstaan als gevolg van de akoestiek in het restaurant.

Als het eten wordt geserveerd, verbaas ik me over de kleine porties en vraag ik me af hoe ik met zo'n klein hoopje eten aan 'shared dining' moet doen. Het wordt dus gewoon 'dining', bedenken mijn lief en ik samen.

Mijn cynisme steekt de kop op. Omdat de porties zo klein zijn, hebben ze dus ook de prijs maar kunstmatig hoog gehouden. Omwille van het concept zeker. Ammehoela.

"Verhip, we hebben geen groente," merkt mijn lief terecht op. We bestellen dus maar een portie broccoli met een vrij ingewikkelde naam. Het kleine kommetje groen arriveert tegen de tijd dat onze borden leeg zijn. Ik krab maar eens achter mijn oren.

En zucht. Niet geheel zonder irritatie.

Tijd voor het desert. Telefoon erbij en bestellen maar. De deserts zijn in orde. Mijn afsluitende kopje koffie wordt geserveerd in een aardewerken bekertje. Dat maar half gevuld is. De koffie is lauw en smaakt niet. Het bijbehorende koekje geef ik aan mijn hongerig kijkende zoon.

Als ik bij de bar ga afrekenen, constateer ik droogjes dat de hoogte van de rekening omgekeerd evenredig is aan mijn gevoel van tevredenheid. De dame bij wie ik afreken, vraagt net zo beleefd als plichtsgetrouw of alles naar wens was. Ik zeg niets en kijk haar aan met een blik die ik tot in de puntjes schijn te beheersen. De mooie glimlacht verdwijnt terstond van haar gezicht.

We willen naar buiten. Weg. "Dit was anders dan verwacht," zegt mijn lief. "En dat doen we de volgende keer dus ook anders." De kinderen en ik zijn het roerend met haar eens. 

woensdag 10 januari 2024

Een retourtje poli

Poli Chirurgie. De bordjes wijzen me de weg. En hoewel ik niet zenuwachtig ben voor wat er gaat komen, voel ik me ook niet helemaal op mijn gemak. Ik meld me aan de balie en neem plaats.

Voordat ik goed en wel zit, hoor ik mijn naam. Een vriendelijke verpleegkundige roept me de behandelkamer in. We lopen snel wat persoonsgegevens na en dan legt ze kort uit wat er gaat gebeuren. Eigenlijk weet ik dat wel. Er zit een lipoom in mijn nek. Een vetbultje, zeg maar. En dat bultje wordt nu verwijderd.

Even later komt de arts binnen. Ze stelt zich voor en loopt om me heen. Ze bekijkt de boosdoener, knijpt er even in en vertelt uit welk soort verdoving ik kan kiezen. "Het ligt er maar aan hoe stoer u bent," grapt ze. 
Ik weet niet of ik het grappig moet vinden en kies toch maar niet voor de all-inclusive variant. Een béétje stoer ben ik wel. Maar ook alleen vandaag, hoor. Gehoorzaam ga ik op de behandeltafel liggen.

"De verdoving is niet zo'n fijn prikje," zegt de arts naar waarheid. Auw! Het tweede prikje is ook al zo venijnig. Nummer 3 voel ik amper, en dat betekent dat 1 en 2 hun werk al doen, zo wordt me uitgelegd.

Geen idee wat ze allemaal doet aan en in mijn nek, maar ik voel er niets van. Wel denk ik wat knip- en snijgeluiden te horen. Ik besluit geen vragen te stellen en dat is prima voor nu.

"Hij is eruit," zegt de arts in no-time. "Nu nog even dichtmaken." Dat lijkt me een goed plan. "Maakt u er een mooi Oud-Hollands handwerkje van?" vraag ik licht glimlachend van onder het doek dat me deels bedekt. "Dat ligt er maar aan hoe goed u verzekerd bent," zegt ze plagerig.
We lachen.

Zij volmondig.

Ik als een boer met kiespijn.

Als de feestelijkheden zijn afgerond, geeft ze me nog wat huishoudelijke tips mee voor verzorging van de wond en verdwijnt ze weer even snel als ze binnenkwam. De vriendelijke verpleegkundige plakt behendig een levensgrote pleister in mijn gepijnigde nek.

En dan volg ik de bordjes weer - maar nu naar de uitgang. Mijn lief loopt me tegemoet en slaat haar armen om me heen. Naar huis. Waar alleen in papier wordt geknipt en alleen in groente en fruit wordt gesneden.

vrijdag 11 november 2022

Haar vertrouwde stem

Het is stil als ik de voordeur achter me in het slot druk. Ik zet mijn tas op de grond. De vertrouwde stem die me hier altijd begroet, is er niet. En de geur van verse koffie is er evenmin.

De keuken is nog net zo opgeruimd als hoe ik die bij mijn vorige bezoek aan het appartement heb achtergelaten. De woonkamer ligt erbij alsof ze zojuist uit haar vertrouwde fauteuil is opgestaan. Maar in die vertrouwde fauteuil heeft ze al de nodige maanden niet meer gezeten.

Eind mei zat ze hier voor het laatst. Met de nodige tegenzin ging ze op last van de huisarts met de ambulance naar het ziekenhuis. Soms worden in het leven de keuzes voor je gemaakt.

Met spoed vertrok ik uit de andere kant van ons kikkerlandje om naar haar toe te gaan. "Ik wil nog niet dood," zei ze de volgende dag opgetogen en keek me vertwijfeld aan vanuit haar ziekenhuisbed. "Maar dat hoeft ook helemaal niet," zei ik. En ik vermoed dat ik haar minstens net zo vertwijfeld heb aangekeken.

Met enige regelmaat bezocht ik haar. Iedere keer leek het alsof ze weer iets had ingeleverd. Ingevallen wangen, dunnere armen, een stem die anders klonk, een bleek gezicht.

Lopen werd strompelen - achter een rollator. Strompelen werd zitten. En uiteindelijk werd zitten liggen.

"Als het weer wat beter met me gaat, dan kom ik ook weer bij jullie op visite," zei ze tegen mijn kinderen. Ze keken me vragend en ongemakkelijk aan. Want ook zij begrepen dat oma haar zicht op de werkelijkheid niet meer op orde had.

Toen was er pijn. Op de voet gevolgd door paracetamol. Morfine bleek uiteindelijk het juiste antwoord.

Die ochtend aaide ik zacht over haar hoofd. Ik fluisterde in haar oor dat ze mocht loslaten. Dat het goed was. En dat ze vertrouwen moest hebben. Toen de wintertijd die nacht zijn intrede deed, kwam ook het onvermijdelijke telefoontje van de nachtzuster.

Op haar crematie vertelde ik over haar leven, over haar vragen en onzekerheden, maar ook over haar trots en blijdschap. De minuten die ik op het spreekgestoelte stond, waren de lastigste uit mijn leven.

Het is stil als ik de voordeur open. De vertrouwde stem die me altijd gedag zegt, is er niet. En de koffie die ik voor vertrek dronk, heb ik deze keer zelf gezet. Ik pak mijn tas en trek de deur achter me dicht.

Haar vertrouwde stem zal er nooit meer zijn.

vrijdag 13 september 2019

Bloed, witte jassen en tranen

Een jonge, vriendelijke arts-assistent roept ons naar binnen. Ze kan maar moeilijk inschatten wat haar staat te wachten. Ook ik weet het niet helemaal, maar ik heb haar vooraf uitgelegd dat er beslist niets pijnlijks gaat gebeuren. Want sommige artsen doen je nu eenmaal pijn, alle goede bedoelingen ten spijt.

De arts-assistent stelt vragen. Ze geeft antwoord. Hij maakt wat aantekeningen, zet hier en daar wat gegevens in zijn computer. Ze wordt gemeten en gewogen en mag weer wat vragen beantwoorden. Dan moet ze zich uitkleden. Ze kijkt me twijfelachtig aan. Uitkleden? "Dat mag achter het gordijn, hoor," glimlacht de arts-assistent haar bemoedigend toe. Even snel als zakelijk rondt hij vriendelijk zijn onderzoek af. Alhoewel, eerst snel nog even naar de andere kant van het ziekenhuis voor een röntgenfoto en een buisje bloed.
De foto is peanuts, klaar terwijl u wacht. Voor het buisje bloed moet ze de volgende ochtend terug - nuchter en wel.
"Prikkamer, wat een akelig woord," zegt ze als we in de wachtruimte zitten. "Je hebt gelijk," zeg ik. "Maar mooier kunnen we het niet maken. Bloedafnamekamer?" Hoe groot ze ook is, ze wordt steeds kleiner naarmate ons volgnummer nadert. Leunt tegen me aan, hoofd op mijn schouder. Ping, nummer 66. Opstaan en naar binnen.
Twee buisjes bloed lichter loopt ze even later mee naar buiten. Haar arm doet pijn. Ik zie een traan. Trek haar tegen me aan. "Kom, je hebt het gehad. Ik breng je naar school." Ze knikt instemmend en veegt met mijn zakdoek haar ogen droog. Bloedprikken, da's niet haar ding. Ik zeg dat ze op me lijkt. We lachen samen.

Ik ben nog geen vijf minuten thuis of de tandartsassistente belt. Of de afspraak voor mijn dochter eerder kan. Twee dagen later zit ze weer naast me in de auto, op naar de tandarts! Een kies moet eruit vanwege een beugel die eraan zit te komen. Ze heeft zichtbaar angst. "Ik wil niet. En waarom moet die kies eruit?" Ik vertel haar nog een keer wat de orthodontist ons een week eerder heeft uitgelegd. Desalniettemin, tranen met tuiten.
Ze wil mijn hand vasthouden als we naar binnen gaan. Eenmaal in de behandelkamer zijn haar handen ronduit klam. Haar ogen groot. Haar wangen bleek. Een paar prikjes ter verdoving, zegt de tandarts en voegt de daad bij het woord. Ze knijpt hard in mijn hand. Ik sta ernaast en kan niets doen - maar dat is prima voor dit moment.
Hoeveel ze ook voelt, ze voelt geen pijn. Zoveel is zeker. Snel en behendig verwijdert de tandarts de kies. "Die mag je hebben. Als bewijs van moed," lacht hij haar toe en overhandigt haar een opgevouwen tissue met daarin het kostbare kleinood. Ik zie een kleine glimlach op haar bleke gezicht.
Buiten vloeien de tranen weer. "Papa, ik ben moe. Ik wil naar huis." Ik sla een arm om haar heen, ze legt haar hoofd op mijn schouder en huilt. Ik begrijp het wel.
"Jij hebt je week wel weer gehad," zeg ik als we wegrijden. "Kan het erger worden dan dit?", vraagt ze vertwijfeld. "Nee, het wordt niet erger dan dit. Je bent klaar. En je bent moedig," zeg ik naar waarheid. Ze pakt haar telefoon. Snel een berichtje naar mama dat de kies eruit is. Afleiding.
Ze wordt groot. En ik ben trots op haar.

dinsdag 6 maart 2018

De vriendelijke mevrouw

De deurbel haalt me uit mijn concentratie. Mijn blik laat het beeldscherm los. Snel een slok koffie en dan naar de voordeur. Een vriendelijke, zwaar opgemaakte en netjes geklede mevrouw begroet me vrolijk. In haar handen een mooie flyer met groot het woord 'uitnodiging'.
Het behaagt de vriendelijke mevrouw mij uit te nodigen voor een religieus getinte bijeenkomst, waarbij Jezus centraal staat. Ze biedt me de flyer aan met een sympathieke glimlach. Met een minstens net zo sympathieke glimlach - ja, dat kan ik - zeg ik dat ik haar uitnodiging weliswaar erg attent vind, maar dat ik toch niet zo van het religieus aangelegde soort ben.
"Gelooft u in God?" vraagt ze met haar onverwoestbare glimlach. "Dat is een interessante vraag," opper ik oprecht. Want ik zie God niet zozeer als die oude, alwetende man met een lange, grijze baard die het om voor mij onbegrijpelijke redenen goed vindt dat er oorlogen worden gevoerd en dat kinderen onrecht wordt aangedaan. Voor mij is God meer een onuitputtelijke bron van universele energie en inspiratie, een bron de ik vooral in mezelf moet zoeken in plaats van in een zogenaamde hemel.

Ze blijft me glimlachend aankijken. En ik haar. Want ik spiegel graag menselijk gedrag; wat je me geeft, krijg je terug. "Heeft u uw ideeën wel eens onderzocht?" vraagt ze geïnteresseerd. Welja, tuurlijk heb ik dat. Niet als wetenschappelijk onderzoeker, dat spreekt. Maar wel in conversatie met mensen die een ruime kijk hebben op de soms gespannen relatie tussen religie en mensheid. Interessant, dat zeker.
Ze neemt het graag van me aan, zegt ze. "Heeft u ook de Bijbel gelezen?" is haar volgende vraag. "Wat heet," zeg ik. "Ik heb 'm niet gelezen van a tot z, maar ik geloof dat ik wel tot de k ben gekomen," antwoord ik met een zelfde glimlach als die van haar.  Ze vraagt wat ik ervan vond. "De Bijbel is interessant, maar ook lastig," antwoord ik naar eer en geweten. "Ik vind de Bijbel vaak moeilijk te interpreteren. En ik ben niet de enige op deze planeet die daar last van heeft. Genoeg geleerden die er onderling ook niet uitkomen."
Haar wenkbrauwen schieten omhoog. "Maar u hoeft de Bijbel ook niet te interpreteren," werpt ze tegen. "U moet gewoon doen wat er staat!" Ik vraag haar of ze daarmee bedoelt dat ik de Bijbel moet zien als een soort handleiding voor het leven. Ze twijfelt even, maar zegt dan toch ja.
"Maar als ik de Bijbel niet hoef te interpreteren, dan hoef ik 'm ook niet te lezen. Als ik niets interpreteer, hoef ik ook geen moeite te doen te begrijpen wat er staat, en dan kan ik 'm ook onmogelijk zien als een handleiding. Dan is lezen dus zinloos."
Ik zie een gefronst voorhoofd. Ze lijkt licht uit haar evenwicht geduwd, maar blijft dan tóch vriendelijk glimlachen. Ze wil iets zeggen, maar ik ben haar te snel af. "Het lijkt me een goed plan dat we hier nu niet verzanden in een discussie," zeg ik. "Daarvoor ben ik nu te druk. Maar ik vond het wel leuk hierover even met u te praten." Ze is het met me eens en wenst me een fijne dag. Ik wens haar niets minder.
Even later zit ik weer achter mijn beeldscherm. Hoewel ik religie niet zie als een product dat je slijt aan de voordeur, vind ik deze gesprekjes soms wel leuk. De vriendelijke mevrouw mag vaker aanbellen. Echt waar.

maandag 26 februari 2018

Naar de hamburgergigant

We komen uit het zwembad en de kinderen hebben honger. Niet zo gek ook. De lunch ligt al de nodige uren achter ons. Ik kijk op mijn horloge. De tijdzone die de mensheid etenstijd pleegt te noemen komt gevaarlijk dicht in de buurt. Toegegeven, ik lust inmiddels ook wel wat.
Mijn nazaten maken er geen geheim van. Ze hebben zin in patat. Patat. Van al het eten waar ik nu géén zin in heb, staat patat het hoogst genoteerd. Mijn vrouw kijkt me met gefronste wenkbrauwen aan. Ja, ach, we rijden gewoon naar 's werelds bekendste hamburgergigant. Ik doe er mezelf geen plezier mee - mijn vrouw evenmin. De kinderen worden er in ieder geval blij van, en dat is ook al wat.

Om te bestellen hoef je er tegenwoordig niet meer naar de balie. Je tikt op een groot touchscreen aan wat je wenst - het idee bevalt me. De prijs van het feestmaal niet. Voor een hoopje patat, een paar burgers, wat kipnuggets en iets te drinken betaal ik ijskoud dertig daverende euri's.
Op logistiek gebied hoef je ze hier niets te leren, want voordat we naar een tafeltje zijn gelopen, zie ik op een scherm dat onze bestelling al klaar is. Terwijl de kinderen hun jassen nog staan uit te trekken schuif ik twee gevulde dienbladen voor de drie hongerige kinderneuzen en voor mijn vrouw.
Meer verpakkingsmateriaal dan eten, bedenk ik als het zo bekijk. Met links gluur ik nog even naar het kassabonnetje. Had ik niet moeten doen, want mijn honger is gelijk verdwenen. Al kan dat ook komen door de gezouten patat. Terwijl ik er mijn vingers aan vuil maak, vraag ik me af waar ik het meeste voor betaal: voor het zout dat erover is gestrooid of voor de patat zelf. Met het zout dat op mijn portie Franse friet ligt, kunnen ze bij Rijkswaterstaat de A2 tussen Utrecht en Maastricht een hele week lang sneeuw- en ijsvrij houden.
Ik zie mijn kinderen vrolijk eten. Als ik vraag of het smaakt, knikken ze alle drie volmondig ja - met de nadruk op volmondig. Over smaak valt kennelijk niet te twisten, zelfs niet met je kinderen. Ik stel de vraag niet aan mijn vrouw; haar smaakbeleving lijkt enigszins op die van mij.

Mijn gevoelens voor deze tent zijn eind jaren tachtig definitief beklonken toen ik het boek 'Ganz unten' las van Günther Walraff. Deze Duitse journalist werkte twee jaar lang undercover als Turkse gastarbeider bij allerlei bedrijven in het toenmalige West-Duitsland. Zo ook bij deze hamburgergigant. Zijn bevindingen logen er niet om.
Inmiddels ligt op de twee dienbladen alleen nog verfrommeld verpakkingsmateriaal - een fikse berg, het moet gezegd. De buikjes zijn gevuld, de gezichtsuitdrukkingen staan op tevreden. Alhoewel, ze willen nog graag een toetje. Nog voordat ik het woord 'fastfood' kan uitspreken, sta ik weer aan het touchscreen voor drie milkshakes, een ijskoffie en een ijsje. Vijftien euro lichter en met een vol dienblad loop ik terug naar onze tafel.
De teller staat op 45 euro, constateer ik met hetzelfde gemak als waarmee ik constateer dat ik mijn aanbevolen dagelijkse hoeveelheid suiker, zout en verzadigde vetten vorstelijk heb overschreden. Het kost een paar cent, maar dan héb je ook wat. Ik wil weg. Ik wil naar huis. En ik heb honger.

dinsdag 14 november 2017

Kijken naar de herfst

De lucht is grijs en grauw. Het ziet er regenachtig uit. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin. "Kom, we gaan kijken naar de herfst," zeg ik tegen het tweetal terwijl ik de auto afsluit en de sleutel in een van de grote borstzakken verstop.
Zo graag als ik alleen mijn boswandelingen maak, zo gezellig vind ik het om deze keer mijn twee jongste kinderen mee te nemen. Ik pas mijn ferme tred er graag op aan. Ze hebben er zin in. Ik ook.

Het is herfst. De groene jas van moeder natuur kleurt steeds roder en bruiner. Ik heb een zwak voor de herfst, of eigenlijk voor de kleuren van de herfst. De natuur sterft stilletjes af en maakt zich op voor de stille koude van de winter.
A. (5) en L. (7) stappen vrolijk kletsend met me mee op hun blauwe laarsjes. Ik laat hun de herfst goed bekijken. Vraag welke kleuren ze allemaal zien en welke ze de mooiste vinden. Ik wijs bomen aan die nog opvallend groen zijn, we kijken naar konijnenkeutels, luisteren naar vogelgeluiden. En ja, daar zijn de onvermijdelijke paddenstoelen.

Ondertussen dwaal ik in gedachten af naar mijn eigen kinderjaren. Toen mijn vader me vertelde over de tekeningen van Rien Poortvliet. Prachtige tekeningen waarin hij de natuur vaak vastlegde als iets romantisch. Ik raak er nog altijd niet op uitgekeken. Maar ik associeer Poortvliet uiteindelijk nog het meest met zijn kabouters. Als kabouters bestaan, dan zien ze eruit zoals hij ze heeft getekend. Zeker weten.
A. en L. vinden het leuk in het bos. Ik laat ze beurtelings foto's maken van de omgeving. Stil en geamuseerd kijk ik toe hoe ze zich vermaken met mijn telefoon en de natuur. Ook de paddenstoelen krijgen hun volle aandacht. Ik vertel hoe kabouters hun weg door het groen banen en stiekem hun intrek nemen in een paddenstoel - het liefst een rode. Met witte stippen.
Met respect voor wat leeft, laat ik ze de paddenstoelen van dichtbij bekijken. En fotograferen. Kabouters zijn in de verste verte niet te zien. "Nee, kabouters houden niet zo van mensen," grap ik tegen mijn dochtertje L. "Wij zijn te groot en maken te veel lawaai."
Vol interesse bekijken we een vermolmde boomstam waarlangs paddenstoelen in lagen groeien. "Dat is nou een flatgebouw voor kabouters," lach ik. De twee lachen met me mee.

De befaamde vliegenzwam komen we die middag niet tegen. De paddenstoel der paddenstoelen, waarin de roodgemutste kabouters van Rien Poortvliet zonder uitzondering hun intrek nemen. Wel talloze andere paddenstoelen in alle soorten en maten. Sommige zo klein dat ze amper met hun hoed boven de herfstbladeren uitsteken die de bodem weelderig bedekken.
Als ons herfstrondje compleet is, zijn we zowat bij de auto. "Papa, dat was een superwandeling," vertrouwt L. met toe als we naar huis rijden. Het is een opmerking waar ik vrolijk van word. Even later, thuis, zitten ze al snel achter de ranja en iets te knabbelen. De natuur lijkt weer uit hun belevingswereld verdwenen.

dinsdag 27 juni 2017

De collectant

Spitsuur in de keuken. Ik sta druk te snijden, te wassen, te koken en te bakken. Over een kwartier komt mijn vrouw thuis en dan wil ik het eten zowat klaar hebben. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een blonde jongeman mijn woning naderen. Handig, zo'n keukenraam dat uitkijkt op de voordeur.
Er wordt aangebeld. Pfff, niet nu. Dat zou al de derde collectant deze week zijn. Vermoeiend. Bovendien nadert de pastasaus zijn vervolmaking, dus ik wil het kort houden.
Met lichte tegenzin open ik de voordeur. Voor me staat inderdaad de blonde jongeman. Rap kapsel, strak getrimd baardje, keurig en kleurig gekleed. Rechts een collectebus van Kika. Over goede doelen gesproken. In een tiende van een seconde heb ik hem in me opgenomen. "Hee, alles goed?", werpt hij me amicaal toe.
Hee, alles goed? Die moet ik even laten bezinken, merk ik. Hee, alles goed. Zo begroet ik mijn vrienden, sommige naaste familieleden en wat soortgenoten die me na aan het hart liggen. "Dat zeg je niet zomaar," geef ik hem terug. Mijn blik is dan al afgedwaald naar zijn collectebus. "Ik weet ook niet of ik dit de juiste manier vind om een gesprek te beginnen zoals jij dat nu met mij beginnen wil."
De jongeman is duidelijk van zijn stuk gebracht. Ik kijk hem strak aan, 'n beetje streng.
"Dag meneer. Ik kom collecteren voor Kika. Kent u Kika toevallig?"
"Ja, ik ken Kika toevallig," zeg ik. Om een reden die ik inmiddels vergeten ben, heb ik een van de voorafgaande dagen de website van Kika bezocht. Maar dat hoeft hij niet te weten.
"Nou, dan weet u vast wel dat Kika zich ten doel stelt om..."
"... de genezingskansen bij kinderkanker te verhogen. En om de kwaliteit van behandelmethoden te verbeteren. En daarvoor is geld nodig. Veel geld. En om precies die reden zijn jullie nu aan het collecteren."
Hij kijkt me aan met een onzekere glimlach. Wat moet ik met die vent, zie ik hem denken. De collectebus komt omhoog. Demonstratief rammelt hij er een keer mee. "Inderdaad. Mag ik u daarom vragen om een bijdrage in de strijd tegen kinderkanker?" Hij blijft netjes in zijn rol. Doet-ie goed. Maar hij irriteert me. Die begroeting. Alsof we samen in de schoolbanken hebben gezeten.
De beslissing heb ik dan al genomen. "Dat mag je me best vragen. Maar ik ga niets in je collectebus gooien. Ik stort deze week mijn bijdrage op de rekening van Kika."
De gestrekte rechterarm gaat terug naar zijn lichaam. "Dat mag, meneer. Dan wil ik u namens Kika graag bedanken voor uw bijdrage," zegt hij gemaakt enthousiast.
De deur valt vredig in het slot en ik loop snel terug naar mijn pruttelende pastasaus. "Ben je hier al geweest?", hoor ik buiten een meisjesstem roepen. Ik zie een donkerharig meisje wijzen naar mijn voordeur. De stem van de jongen roept iets terug wat ik niet versta. Het maakt me ook niet uit wat hij roept. Of denkt. Hij vindt me vast een rare vogel. En dat ben ik. Soms. Een rare vogel.

donderdag 26 januari 2017

In de ambulance

De pizza's zijn op en de kinderen krijgen zo hun toetje. Terwijl ik de tafel afruim, loopt mijn vrouw naar mijn werkkamer om de notebook naar beneden te halen. Na het eten heeft ze een Skype-afspraak.
Tussen de drukte van de kinderen door hoor ik opeens een doffe dreun. Daar valt iets, denk ik. Of iemand. Hier of bij de buren? Intuïtief loop ik naar de hal. Toch even een blik werpen. Maar zodra ik de deur open, hoor ik haar al luid jammeren van de pijn. Niet denken, handelen. In twee stappen sta ik boven, op de overloop. Lange benen zijn soms best handig.

Ze ligt op haar rug, onder aan de trap naar de zolder. De notebook in de verkeerde richting dubbelgevouwen naast haar. Ik zie een gepijnigd gezicht, ik hóór de pijn. Op het moment dat ik de volkomen overbodige vraag wil stellen of alles goed is, besluit ik eerst te onderzoeken of ze gevoel heeft in haar benen. En dat heeft ze - goddank. Ze kan voeten en tenen ook bewegen. Mooi, dan kunnen we al een paar vervelende uitkomsten wegstrepen.
Haar heup doet enorm pijn, net als haar rechterbovenbeen. Het lukt haar niet overeind te komen. De kleinste beweging veroorzaakt immense pijn.
Zo snel als ik boven was, zo snel heb ik even later in de huiskamer de telefoon te pakken. Het kreng gaat wel tien keer over voordat ik eindelijk een 112-ambulance-meneer aan de lijn krijg. En omdat ik vermoed dat ik die avond nog op de spoedeisende hulp ga belanden, bel ik ook maar meteen M. en T., die alles uit handen laten vallen en meteen aanrijden. Want ook voor de kinderen moet worden gezorgd als pa en ma van huis zijn.

De twee ambulancemannen steken hun vakkennis niet onder stoelen of banken. Ondanks haar onbeweeglijkheid en priemende pijn zijn ze positief gestemd over wat er mis kan zijn. Even later wordt ze met brancard en al achterin de kanariegele ziekenauto geschoven. Zonder na te denken stap ik in en ga naast haar zitten.
Een jonge arts heet haar welkom op 'zijn' spoedeisende hulp en besluit röntgenfoto's te laten maken. Ik word naar de wachtkamer gedirigeerd en probeer daar gelaten te genieten van een beker automatenkoffie.
Als ik even later bij mijn vrouw word geroepen, laat de arts ons nog ruim driekwartier wachten op het verlossende woord. Niets gebroken. Wat het wel is, moet worden gedempt door de zware pijnstillers die hij haar voorschrijft. Vermoedelijk iets met spieren, maar dat is meer het territorium van de fysiotherapeut, zo luidt het devies. U mag naar huis, en daar moet u het mee doen.
Sta ik dan, 's avonds laat, zonder auto en met een vrouw die amper lopen kan. Ik bel M., die ons direct komt halen, de kanjer. Via de dienstapotheek rijden we naar huis, waar twee paar kinderoogjes vragend naar mama kijken en willen weten hoe het haar is vergaan. Het derde - en jongste - paar oogjes is dan al vredig in slaap gevallen.

Als ik dit schrijf, heeft de fysiotherapeut inmiddels zijn werk gedaan. Pijn en ongemak zijn daarmee voltooid verleden tijd. En die Skype-afspraak moet ze nog maar een keer opnieuw inplannen. Deze keer is het mijn beurt om de notebook naar beneden te halen.


donderdag 3 november 2016

Kleine lettertjes

Het lukt niet meer. Of ja, het lukt vaak wel nog, maar het kost gewoon steeds meer moeite. Hoe kleiner de lettertjes worden, hoe meer ik over de rand van mijn bril wil kijken. Geen ontkomen meer aan: nog even en ik heb een leesbril.

Het begon allemaal heel onschuldig, al jaren geleden. Dat ik de stekkertjes aan de achterkant van mijn pc inprikte en ik merkte dat ik de kleuren niet meer van elkaar kon onderscheiden. Even wat extra licht erbij en klaar. Wie doet je wat. Opeens ging ik ook 's avonds in bed merken dat mijn nachtlampje toch wat meer op mijn boek moest schijnen. En ja, ook de afstand tot de letters moest maar eens wat groter.
Mijn opticien liet zich ooit een keer ontvallen dat iedereen grofweg tussen 40 en 45 jaar in de 'gevarenzone' komt en dus een leesbril nodig heeft - of een extra leessterkte in zijn bril (wat de brillenboer dan heel eufemistisch een additie noemt). Sommige mensen een jaartje eerder, sommige mensen een jaartje later. Met mijn 48 levensjaren op de teller zit ik dus al ver achter de vijandelijke linies. "Probeer het zo lang mogelijk uit te stellen," zei diezelfde opticien. "Want als je er eenmaal aan begint, kun je écht niet meer zonder."

Sta je dan. Geboren in 1968. De oorlog in Vietnam woedde in alle hevigheid en Neil Armstrong stond op het punt als eerste mens naar de maan de vliegen. Ik bestond, maar herinner het me niet. Ik herinner me wél de zwaarbewapende agenten aan de Duits-Nederlandse grens nadat RAF-terroristen daar in 1978 betrokken waren bij een schietpartij. Het waren de dagen dat mijn vader - rechercheur van politie - niet zonder pistool van en naar zijn werk ging.
Ik hoorde vanochtend nog het nummer The Reflex van Duran Duran. Ik herinner me dat dit in 1984 in één klap een wereldhit werd. Ik herinner me het bezoek van de paus aan Nederland. Ik herinner me de enorme anti-kernwapendemonstratie op het Malieveld in Den Haag. Ik herinner me de historische woorden "Mr. Gorbachev, tear down this wall!" van Ronald Reagan. Ik herinner me dat de Muur daadwerkelijk viel (hier in mijn la ligt nog een brokje). Ik herinner me de Balkanoorlog en de eerste Golfoorlog. Ik herinner me de opkomst van de mobiele telefoon. Ik herinner me dat we nog geen internet hadden.

Allemaal feiten die eigenlijk niets te zoeken hebben in deze weblog, maar op grond waarvan ik mij realiseer dat de jaren beginnen te tellen. Want de tijd dat ik tien kilometer ging hardlopen zonder enige vorm van warming-up ligt ver achter me. Mijn lichaam spreekt duidelijke taal en gaat daarover geen discussie aan. Zelfs niet met mij.
En zo gaat het nu dus ook met mijn ogen. Steeds vaker moet ik over de rand van mijn bril kijken als ik in de weer ben met mijn smartphone. Als ik mijn kinderen help met tanden poetsen, bekijk ik hun witbeschuimde monden over de rand van mijn kijkijzer.
Het is een kwestie van tijd. Een paar maanden nog? Misschien een halfjaar? Geen idee. Het Uur U nadert in ieder geval met rasse schreden. En ik kan geen kant meer op. Want het lukt niet meer.

donderdag 20 oktober 2016

Liefde op het eerste gezicht

Het was liefde op het eerste gezicht. Ze stond te glimmen in de volle zon, op die mooie voorjaarsdag in 2003. Ik vond haar mooi en wilde haar. Onvoorwaardelijk en voor mij alleen. Een strenge, maar rechtvaardige inspectie rondom vormde het groene licht voor een proefrit. En daarmee was onze relatie bezegeld.
Een paar dagen na die allesbepalende proefrit stond ze me rijklaar op te wachten. Ook nu weer straalde ze me tegemoet. Toegegeven, ze was best groot voor mijn toenmalige eenoudergezin zonder kinderen. Maar ach, met wat extra ruimte is niets mis. Komt altijd van pas.
De zesjarige zestienklepper stelde me niet teleur. Ik werd vrolijk als ik in haar rondreed. Of het nou door het dorp was of door het land. De kosten van onderhoud waren minimaal - niet in de laatste plaats door de vriendelijke vakman die in de avonduren niet te beroerd was voor wat onderhoud, een grote of kleine beurt.
Een kleine twee jaar reden we onbekommerd door stad en land, totdat ik opeens een andere schone ontmoette. Niet uit Japan en ook niet hemelsblauw, maar van vlees en bloed en met een voordeur die 220 kilometer verwijderd was van de mijne. Ruim een jaar lang reed ik om het weekend twee keer die 220 kilometer. Moeiteloos en zonder noemenswaardig extra onderhoud suisde ze over 's Heeren wegen alsof het niets was. Daarna verhuisde ik naar de andere kant van het land om mijn leven samen te voegen met dat van mijn droomvrouw.
Minder kilometers, dat zeker. Maar daarvoor in de plaats kreeg mijn hemelsblauwe flitskist de kans om haar reputatie als gezinsauto waar te maken. Mijn eerste kind zag het levenslicht. En twee jaar later mijn tweede. De dametjes hadden ruim baan op de achterbank. Totdat mijn derde kind werd geboren. Toen werd het passen en meten, en af en toe mocht de oudste ook wel een keer voorin - wat ze overigens één groot feest vond, maar dat terzijde.
De blauwe lak van mijn Japanse was inmiddels wat aan het verweren. Ook kwamen er geleidelijk wat krasjes en kleine deukjes, die andere automobilisten moeiteloos aan je auto toebrengen met openslaande deuren en winkelwagentjes. Het deed echter niets af aan het rijplezier dat ik aan haar beleefde.
Totdat ik een roestplekje ontwaarde boven een wielkast. Toegegeven, dat wierp wel enige smet op haar vlekkeloze blazoen. Jammer, maar ik vond het ook niet de moeite waard het weg te werken. Gelet op haar leeftijd, gunde ik haar het voordeel van de twijfel. Doorrijden, niet klagen en al helemaal niet veel geld meer aan uitgeven.
Toen was daar weer de jaarlijkse APK. Andere jaren banjerde ze daar vrij gemakkelijk doorheen. Maar nu bleek er toch meer aan de hand. Veel meer. Zóveel meer zelfs, dat repareren niet meer rendabel zou zijn. Ik zuchtte diep toen de garage me belde met het slechte nieuws. Tijd voor het onvermijdelijke afscheid.
In de daaropvolgende dagen maakten we een handjevol proefritten. Lastige klus. Of de auto was te groot. Of te klein. Of rammelde aan alle kanten. Of beviel gewoon niet. Totdat ik in een hoekje een auto van Franse makelij zag staan. Die wil ik wel even bekijken, zei ik tegen mijn garagehouder. "Net binnen," zei hij. "Moet nog worden gepoetst, en staat ook nog niet op onze website." Ik maalde er niet om en even later zat ik achter het Franse stuur.
Een zelfde gevoel viel over me heen als dertien jaar eerder. De auto lachte me toe. Alles klopte. Klaar.

Inmiddels heb ik mijn Japanse schone leeggehaald. Onze persoonlijke spullen liggen hier te wachten op de nieuwe Franse voiture. Met weemoed zal ik mijn ouwe vertrouwde bolide achterlaten. Ze gaat naar de sloop. Sommige onderdelen krijgen vast een tweede leven. En wat overblijft, wordt gerecycled. Of samengeperst tot een pakketje.
Met een glimlach zal ik aan haar terugdenken. Want oude liefde roest niet. Een oude auto wel.

dinsdag 30 augustus 2016

Mijn kleine held

Dat ik hem recht moet houden, roept hij me toe en trappert er trots op los. Ja, fietsen vindt hij duidelijk leuk, ook al moet ik nog met hem mee rennen om hem vast te houden. De zijwieltjes die ik nog had uit de tijd dat zijn twee zussen leerden fietsen, passen niet op zijn fiets. En dus heb ik me voorgenomen het hem te leren zonder zijwieltjes. Moet lukken.

Vier jaar is hij inmiddels, mijn kleine held. Maar soms lijkt het alsof hij gisteren geboren is. Het was een snelle bevalling, om het eens eufemistisch te zeggen. Toen hij er klaar voor was, was de klus snel geklaard. Zó snel, dat de verloskundige niet eens meer de kans kreeg haar handen te wassen toen ze op mijn dringende verzoek met gierende banden arriveerde en mee naar de slaapkamer holde. De blik van mijn vrouw stond al op oneindig. Het hoofdje van mijn kleine held was zichtbaar. "Ik zou hem Jelle noemen. Snelle Jelle," lachte de kraamverpleegkundige, die wat later arriveerde.
Amper vijftig minuten voordat hij het levenslicht zag, stond mijn vrouw nog bij de supermarkt om de hoek de boodschappen af te rekenen. Haar pinbonnetje met het tijdstip heb ik nog lang bewaard als stil bewijs.
Leren lopen kostte hem wat meer tijd. Maar voor elk probleem een oplossing, dus hobbelde hij nog lang op zijn kont door zijn wereld. En die van mij. Zijn actieradius had er niet onder te lijden. Hij zal het wel leren, dachten we. Zijn zussen hadden er immers ook de tijd voor genomen, en liepen vervolgens binnen de kortste keren rond alsof ze klaar waren voor de avondvierdaagse.
Totdat een leidster op zijn kinderdagverblijf iets opmerkte over hypermobiliteit. De kinderfysiotherapeute kon het vermoeden alleen maar bevestigen. Doordat zijn gewrichten te flexibel waren, kostte het hem veel moeite te leren lopen. Dus bleef hij op zijn kont rondschuiven. Dan heb je immers maar één evenwichtspunt. Ze ging met hem aan de slag. Leuke, speelse oefeningen om zijn spieren te trainen en hem zijn evenwicht te laten vinden. Een feest om naar te kijken - zij het wel een serieus feest. Toen hij uiteindelijk zijn eerste stappen zette, kreeg ik zowaar vochtige ogen. Mijn kleine held kon lopen! En binnen no-time springen en rennen. Zo doe je dat.
Onlangs werd hij vier jaar. "Papa, je moet mij feliciteren, want ik ben de jarige job," waren de eerste woorden die ik hoorde toen ik die ochtend zijn slaapkamer binnenliep. Trots keek hij even later naar zijn cadeau. Een nieuwe fiets. Zonder zijwieltjes dus. In de straatjes rondom het huis heb ik hem wat laten peddelen, maar binnenkort gaat-ie mee naar een ruime plek waar ik hem zijwielloze meters laat maken.
Inmiddels is daar ook de school. Hij had er maanden geleden al zin in, uiteraard met een schuin oog kijkend naar zijn twee grote zussen. Zij leerden hem tellen tot twintig en deden hem voor hoe je je viltstift vasthoudt als je een tekening maakt. Hij doet 't allemaal moeiteloos na - met zichtbaar plezier.

Vanochtend bracht ik hem naar zijn klas. Relaxed en zelfverzekerd liep hij naar binnen. "Ga nou maar, papa," zei hij en maakte een nonchalante handbeweging, ondertussen als een volleerd charmeur glimlachend naar juf D. Met een goed gevoel liet ik hem achter. Hij redt zich wel. Mijn kleine held.

donderdag 18 augustus 2016

Wegwezen en uitpakken

Met een glimlach schuift de heer des huizes de sleutelbos over de tafel in mijn richting. Het is de laatste plichtpleging in een rijtje, deze ochtend bij de notaris. Uitleg, handtekeningen, nog wat uitleg en uiteindelijk de sleutelbos. Hoera, een nieuwe woning!
Wat later draai ik de sleutel om in het slot van de voordeur en loop lichtelijk onwennig naar binnen. Ik laat het lege huis op me inwerken. Mijn voetstappen en mijn stem galmen door de ruimte. Leuk, maar vreemd. Dit wordt de plek waar ik me thuis ga voelen, waar ik wortel ga schieten, waar mijn kinderen gaan opgroeien. Ik verheug me erop. Tegelijkertijd weet ik dat de verhuizing nu gaat beginnen. En ja..., ik heb een hekel aan verhuizen. Even later trek ik de deur weer in het slot. Naar huis - een dubbele sensatie, want ik heb nu tijdelijk twee plekken die ik 'thuis' zou kunnen noemen. Op naar de plek waarvan ik afscheid ga nemen.
Stapels verhuisdozen staan klaar. Veel van die dozen zijn gevuld, nog net zoveel zijn nog leeg. Over exact twee weken moet de tent leeg zijn, want dan zit ik nogmaals bij de notaris - dan om sleutels te overhandigen aan mijn opvolgers. Geen uitstelgedrag, aanpakken.
Op de dag die precies tussen de twee sleuteloverdrachten ligt, parkeer ik 's ochtends de gehuurde bus op de stoep. Met M. en S. ga ik aan de slag om het grote spul te verhuizen. Een karwei dat er niet om liegt. Ik zie die dag meer zweet dan koffie. Maar het lukt wonderwel, en 's avonds als ik vermoeid nog even neerplof op het ontheemde bankstel, realiseer ik me dat ik midden in de chaotische fase zit die bij elke verhuizing hoort. Hoewel ik het niet fijn vind, kan ik er ook wel om glimlachen. Het glas is niet half leeg, maar altijd half vol, zeg ik tegen mezelf. Als het even later leeg is, letterlijk, laat ik me tevreden in bed vallen.
De dagen die volgen, vertonen steeds hetzelfde beeld. Het aantal verhuisdozen in de oude woning is omgekeerd evenredig aan het aantal in de nieuwe woning. Tot de oude woning leeg is. Dan begint het échte opruimen. Hoewel ik tamelijk gestructureerd werk, is het overzicht soms ver te zoeken. "Papa, waar is onze voetbal," vraagt mijn oudste dochter. "Lieverd, als ik het wist, ging ik nu nog met jou een partijtje voetballen!"

Inmiddels zijn we een paar weken verder. Veel van onze spullen hebben hun plek gevonden. Ook een paar nieuwe kastjes die ik bij die Zweedse ballentent naar buiten heb gesleept en eigenhandig in elkaar heb gezet, staan op hun plek - gevuld en wel. Geleidelijk voelt de nieuwe plek als een thuis, en dat voelt dus goed.
"Zou je nog terug willen naar ons vorige huis," vraag ik op een ochtend aan mijn jongste dochter als we door de straat lopen. "Nee, dat niet," zegt ze gedecideerd. "Maar ik mis mijn vrienden wel," komt er wat voorzichtiger achteraan terwijl ze mijn hand vastpakt. Ik leg haar uit hoe dat werkt met verhuizen. Dat je iets achterlaat, maar dat je er doorgaans ook veel voor terugkrijgt. Ze telt pas vijf jaren, maar heeft een denkvermogen dat haar leeftijd overstijgt. Ze begrijpt mijn woorden.
Even later hapt ze thuis gretig in een krentenbol. Slurpt door een rietje van haar chocolademelk. "Verhuizen is ook best leuk," zegt ze met een grote grijns. "Ik ga nieuwe vrienden maken. Leuke vrienden!" Ik weet dat ze het goed oppakt. Verhuizen is helemaal niet zo erg, bedenk ik, ook al heb ik er een hekel aan. Ik zou nog wat van haar kunnen leren. We lachen samen. En voldaan.

woensdag 8 juni 2016

Inpakken en wegwezen

Mijn weken zijn geteld. Nog even en ik trek hier de deur definitief achter me dicht. Echt waar. Ik ga verhuizen. Naar een ruimere, mooiere plek, dat dan weer wel.
Wat heb ik een hekel aan verhuizen - ook al zijn de vooruitzichten positief. Het heeft natuurlijk alles met mijn territoriumdrift te maken. Wat dat betreft, ben ik net een hond. Niet dat ik nou overal mijn geursporen achterlaat - tenzij ik mijn dagelijkse ochtendlading deodorant en aftershave meereken. Maar ik verlaat mijn territorium. Zo eenvoudig is het.
Mijn territorium. De wegen, weggetjes en paadjes rondom mijn huidige plek. Ik ken er elke vierkante centimeter, en dat voelt vertrouwd. Ik ken de plekken, de mensen, de verhalen. De basisschool van mijn twee dochters, waar verhalen en herinneringen hand in hand gaan. Tot zover de niet-materiële kant.
Verhuizen betekent ook opruimen, weggooien, inpakken. Opeens realiseer ik me weer hoeveel troep een mens verzamelt in de loop der jaren. Stapels papier, bergen zooi. Veel spullen kunnen zó naar het grofvuil. Ander spul verdient het om zorgvuldig te worden ingepakt. Mee naar het nieuwe huis.
Goed nieuws. De eerste dozen heb ik inmiddels ingepakt. Voorzichtig heb ik een beginnetje gemaakt met de boekenkast. Die heeft nu lege plekken. Als een gebit waaruit tanden zijn getrokken door een ijverige tandarts. De eerste dozen staan netjes opgestapeld in een hoekje. Ik móést het doen. Het maakt me onrustig als ik niet al begin met sorteren en inpakken. En onrust..., daar ben ik allergisch voor.

Onze huidige plek wordt geschiedenis. Althans, in ons eigen geschiedenisboek. We zetten onze domicilie dit voorjaar te koop. Volgens de prognoses van de gespecialiseerde medemens, ook wel uitgescholden voor makelaar, zou het met gemak een jaar kunnen duren voordat we een koper hadden. Afijn, 's mans woorden weerklonken nog door de woonkamer toen de eerste de beste geïnteresseerde binnen een week het juiste bod deed. Eenmaal, andermaal, verkocht.
Onze eigen zoektocht duurde wat langer. We bezochten een hele serie woningen - een enkele keer met een aankoopmakelaar. Te groot, te klein, te duur, te slecht onderhouden, te weet-ik-wat-allemaal. Het passeerde allemaal de revue. Totdat we die ene woning bezochten die kennelijk voor ons bestemd was. En dus zitten we over niet al te lang tweemaal bij de notaris. De eerste keer krijgen we een sleutel, de tweede keer geven we een sleutel af. Uiteraard beide keren feestelijk omlijst met wat handtekeningen en een overdosis juridische en financiële praat.

En dan begint het nieuwe zoeken. Waar zet ik welke spullen neer? Welk geluid maakt welke deur? Welke sleutel was nou ook alweer van welk slot? Wie woont er allemaal in mijn straat? Wat is de fijnste plek om de auto te parkeren? Welke sluiproutes zijn er door de wijk? Hoe loop ik het snelst naar het winkelcentrum? Nieuw territorium dus dat ik me eigen moet maken. Maar voordat ik daar mijn zintuigen op ga loslaten, moet ik eerst mijn huidige plek ontruimen. Dat komt goed. Ongetwijfeld. Maar wat heb ik een hekel aan verhuizen...

dinsdag 12 april 2016

Eens in de 36 jaar

Lichte verwarring. Hier was het toch? Ik kijk verbaasd naar de gesloten poort. Binnen brandt geen licht. Ik controleer het op mijn smartphone. Datum en tijd kloppen. Maar nu? Verderop is nog een poort. Jawel, die is open. Ik loop over het tegelpad naar het schoolplein.
De laatste keer dat ik hier liep, was ik een kleuter. De herinnering aan de Franciscaner zuster G. is zoet. Ze was attent, ze was lief voor ons, kleuters. In gedachten zie ik haar voor me en hoor ik haar stem. Het brengt een glimlach op mijn gezicht. Rechts op het plein stonden onze moeders ons uit te zwaaien als we de kleuterschool naar binnen gingen. Ik hoef mijn ogen niet te sluiten om het tafereel voor me te zien, ook al is het meer dan veertig jaar geleden.
Ergens medio jaren tachtig werd de nieuwe basisschool tegen onze kleuterschool aan gebouwd. De oude school, ons prachtige schoolgebouw, werd gesloopt. Onderwijsvernieuwing heette dat. De deur staat open. Binnen hoor ik stemmen. Mijn hart begint sneller te kloppen. Daar staan ze: mijn klasgenoten van toen. En ik herken ze allemaal! Sommige hoofden zijn niet veranderd. Andere hoofden wel, maar ook die kan ik meteen een naam geven.
Uiteindelijk sta ik wat later tussen dertien oud-klasgenoten. Op een basisschoolklas van zo'n dertig leerlingen lijkt me dat een magere score. Sommige mensen wilden niet. Of konden niet. Of hebben zich afgemeld. Of zijn gewoon weggebleven. Het mag de pret niet drukken. Wie er is, is vrolijk.
Het lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan. Zeker als ook meester Van D. binnenloopt, de onderwijzer bij wie we onze basisschoolcarrière hebben afgesloten. Meester Van D., die ons heeft uitgezwaaid naar het middelbaar onderwijs, blijkt niet meer de grote, stoere vent van toen. Zijn snor is eraf, zijn haar is grijs en hij draagt een bril. Maar dat mag; de goede man is al lang en breed met pensioen. In de dagen dat hij ons bekwaam in model trapte, was hij jonger dan wij nu zijn, realiseer ik me als ik met hem sta te praten. Zijn stem is niet veranderd. Stilletjes zou ik best nog een keer les van hem willen - ik durf er geld om te verwedden dat meer mensen dat die avond hebben gedacht.
Sommige klasgenoten heb ik al 36 jaar niet meer gezien. Toch voelt het vertrouwd en warm, als een vriendengroep. Er wordt gelachen, er worden grapjes gemaakt. Ja, ook over buikjes, leesbrillen en kalende hoofden. Geen ontkomen aan. Gesprekken gaan over vroeger, over nu, over de tijd die verstreken is, over hoe die tijd verstreken is. Dienstplicht, opleidingen, werk, huwelijken, echtscheidingen, kinderen, overleden ouders. Ieder zijn eigen levensverhaal. En natuurlijk gaat het over zuster C., de strenge non die met harde hand haar school bestuurde. Ik had als kind aan angst grenzend ontzag voor haar markante verschijning, al was er in haar grote hart altijd plek voor alle kinderen - welgemeend en onvoorwaardelijk.
Dan is er de onvermijdelijke groepsfoto. De trappen van toen zijn er niet meer, dus deze keer posteren we ons bij een klimrek op het schoolplein. Eén klik en we zijn vereeuwigd. In tegenstelling tot 36 jaar geleden lacht iedereen. Wie van ons zal over 36 jaar nog naar deze foto kunnen kijken, vraag ik me de volgende ochtend af. Het antwoord wil ik niet weten. Is ook niet belangrijk. Het was een geslaagde reünie.

vrijdag 1 april 2016

Aan een bosrand met uitzicht over een veld

Met een glimlach keek hij naar de kartonnen doos met luchtgaatjes aan de bovenkant. 'Ik heet Turkie. Ik bijt niet!' stond in krabbelige kinderletters op de doos geschreven. "Ahaaa, jij bent dus Turkie," zei hij toen hij de doos opende en de hem toegezegde pup in zijn armen nam.
Turkie kwispelde bij de aanblik van de brede glimlach en gaf kopjes. Likte vrolijk aan de zongebruinde wangen en keek met ronde pretoogjes naar haar nieuwe baas. De blik werd beantwoord. Het was de geboorte van een onvoorwaardelijke vriendschap.
Mijn vader had haar aangeschaft als jachthond. Drijven, apporteren, blind vertrouwen op elkaar. Zowel in het veld als in het bos. Het was hun gegeven. Turkie - een ruwharige Duitse staander - had vliegensvlug in de gaten hoe het werkte. Ze bleek een meer dan intelligente hond. Begreep direct de kleinste handbeweging van mijn vader, volgde zijn blik en reageerde doeltreffend op een knipoog of een zacht fluitje.
Ook als gezinshond stond ze haar mannetje. Mijn broer, in die dagen nog een ukkepuk die amper lopen kon, mocht probleemloos in haar hok kruipen en bij haar liggen als ware hij haar eigen jong. Toen de groenteboer mijn moeder verzekerde dat hij het jochie er wel even uit zou halen, kon hij rekenen op een felle grom en ontblote tanden. Met knikkende knieën drukte hij mijn moeder op het hart dat het best goed zou komen met die twee daar in dat hok. Toen mijn vader wat later thuiskwam, duwde een kwispelende Turkie met haar natte neus mijn broer uit het hok. "Alles onder controle. We hebben samen gespeeld en ik heb gewaakt over hem. Nu komt-ie weer naar jou."
De vrolijke gezinshond had het meteen in de gaten als ze naar buiten gingen. Groene outfit, het jachtgeweer. De juiste geur en kleur, en ze stond op scherp. Vaak maakte ze zelf al haar hok open - opmerkelijk genoeg kon ze zelf het schuifje aan de buitenkant van het deurtje openen. Een vaardigheid die toch echt een mensenhand vergde, zo dacht mijn vader. Nee dus.
Zoals dat gaat, werd ook Turkie een dagje ouder. De vrolijke, fiere jachthond liep niet altijd meer even recht, en soms liet ook haar feilloos werkende jacht-instinct haar wel eens in de steek. Maar dat maakte niet uit. Vriendschap is vriendschap, ook als je het soms niet meer kunt bijbenen.

Tot mijn vader haar die ochtend niet in haar hok aantrof. Lichte paniek. Waar is ze? Alle zoektochten en navragen ten spijt, ze was onvindbaar. En blééf onvindbaar, maandenlang. Tot hij een seintje kreeg van een boer. "Zeg, had jij niet een jachthond die er zo-en-zo uitzag? Ga daar-en-daar eens kijken. Ik vond er het stoffelijk overschot van een hond en dat lijkt op die van jou."
Daar lag ze. In haar favoriete lighouding. Op haar zij. Precies op de plek waar ze samen zo vaak hadden gezeten, aan een bosrand met uitzicht over een veld. Waar hij altijd zachtjes met zijn rechterhand over haar rug had geaaid als hij in de verte tuurde. Hij wist het meteen. Dat ze die nacht zelf haar hok had opengemaakt, naar deze plek - haar favoriete plek - was gelopen, omdat ze wist dat haar einde naderde. Hier wilde ze zijn. En blijven.
Precies op die plek, haar plek, heeft hij haar begraven. Dat was het laatste wat hij voor haar kon doen. En dat voelde goed. Het was eind jaren zestig van de vorige eeuw. Tot aan zijn eigen dood, medio jaren tachtig, had hij het over haar. Over de hond die definitief een mooie plek had veroverd in zijn hart.
Als er een leven is na de dood, en als dat inderdaad zo romantisch is als we graag zouden willen, dan zijn ze samen. En zitten ze weer aan een bosrand met uitzicht over een veld. Met zijn rechterhand streelt hij zachtjes haar rug, terwijl ze naast hem ligt en met hem de verte in tuurt. Ze hebben het fijn. Samen.

dinsdag 5 januari 2016

Een ander ritme

Kamers hebben hier geen nummers, maar namen. Hoewel ik het kasteel ken, weet ik mijn naam - of althans, mijn kamer voor de komende dagen - niet te vinden. De aardige mevrouw loopt met me mee.
Ik steek de sleutel in het slot, hou even mijn adem in en open de deur. Mijn kamer heeft de welluidende naam Oosterkim. Voor me zie ik een kleine tweepersoons kamer. Gelukkig is-ie voor mij alleen, want met z'n tweeën zou het hier krap zijn. Mijn reistas zet ik op de grond en loop naar de dakkapel. Door het venster zie ik de slotgracht met vrolijk kwakende eenden. Daarachter een weiland, omzoomd door een beekje en bos. Veel bos. De zon lacht me toe. Ik lach terug. Fijn, ik ben er weer.

Het is mijn tweede bezoek aan deze plek. Vorig jaar was ik hier ook. En ook toen vond ik hier de rust en de stilte die ik zocht. Met aardige mensen om me heen die allemaal hetzelfde zochten. En vonden. Dit jaar zal het niet anders zijn.
Als ik aan het begin van de middag ga eten, loop ik A. tegen het lijf. Hij is er ook weer, net als toen. Samen met zijn vrouw. En ook met C. wissel ik een warme handdruk uit. Mensen met wie ik de komende dagen nog de nodige kopjes koffie drink en fijne gesprekken voer.
Tussen die kopjes koffie door zit ik rustig op mijn kamer. Achter het bureau aan het raam, waar ik in mijn schrijfmap aantekeningen maak. Met de vulpen die al zo'n 25 jaar in mijn rechterhand ligt, en die al heel wat van mijn gedachten en ideeën uit de kroon heeft laten vloeien. Tussendoor wandel ik door de bossen over het landgoed, waar ik in de modder mijn voetsporen achterlaat. I was here.
's Avonds wandel ik met een handjevol anderen steevast naar de naburige abdij voor de completen. Het monotone psalmengezang van de Benedictijner monniken tijdens hun dagsluiting maakt indruk. Iedere keer weer. En hoewel ik claim niet gelovig te zijn, lijkt het hier toch steeds alsof ik een hand op mijn schouder voel. Niet zomaar een hand, maar een Hand. Het is een gevoel dat bij me blijft als we door het donkere bos teruglopen, en dat me ervan weerhoudt om nog met de anderen een gezamenlijk wijntje te pakken in de gezellige huiskamer. Ik wil naar de stilte van mijn Oosterkim.

In de loop der dagen onthaast ik genadeloos. Het ritme van thuis vervliegt en lijkt bijna iets van lang geleden. Af en toe krijg ik een berichtje van het thuisfront - al dan niet met een foto van de kinderen. Ze maken het prima, redden het best zonder mijn aanwezigheid.
Dan komt na een paar dagen weer het onvermijdelijke afscheid. Niet alleen van de plek en de rust, maar ook van de mensen. En nog voordat ik die ochtend mijn laatste kopje koffie kan leegdrinken, staat mijn vrouw naast me. Wat later stap ik in de auto en rijden we het landgoed af. Weg van het rustieke, terug naar de bewoonde wereld. En net als vorig jaar toen ik hier wegreed, weet ik niet of ik hallo moet zeggen tegen mijn dagelijkse leven of tot ziens tegen de rust van deze karakteristieke plek. Ik blijf mezelf het antwoord schuldig. En dat is oké.

maandag 14 december 2015

Mag ik nu op zwemles?

Ze had zich er maandenlang op verheugd. Misschien zelfs wel een jaar lang. We hadden het haar toegezegd. Dat ze even geduld moest hebben, en dat ze op haar vijfde naar zwemles mocht. En toen werd het kleine meisje vijf.
"Papa, mag ik nu op zwemles?", vroeg ze gretig die ochtend, op haar jaarlijkse feestdag in oktober. Wat mij betreft, had het direct gemogen, maar een bescheiden wachtlijst dwong haar - en ons - tot een oefening geduld. Wachtlijsten... Een typisch Nederlands verschijnsel. Alleen al om het doelloze van wachtlijsten zou ik er een hekel aan kunnen krijgen - maar dat terzijde.

Onlangs was het zover: haar eerste zwemles. Het voorafgaande weekeinde stond ze kritisch ijdel naar zichzelf te kijken in de passpiegel. Want je bikini moet natuurlijk wel goed zitten als je gaat zwemmen! Later die week toog ik met haar naar het zwembad. Om haar hooggespannen verwachtingen naar een realistisch niveau te brengen vertelde ik haar dat ze toch echt niet na de eerste les zou kunnen zwemmen. Dat die eerste les vooral een kennismaking met water zou zijn. Zo eigenwijs als ze kan zijn, zo graag nam ze het nu van me aan.
In het kleedhokje zong ze van blijdschap. Even later ging ze stilletjes tussen de andere kinderen zitten op het bankje naast het zwembad, waar ze vriendelijk werden opgevangen door badmeester T.
Na zijn introductiepraatje liep het rijtje serieus kijkende kinderen naar de trap, waarover ze een voor een het warme water in stapten. Ik ken mijn dochter. En ik zag aan haar hele lijf dat het háár moment was. Háár zwemles, waarop ze zich zo lang had verheugd. Ingetogen maar trefzeker liep ze door het water. Zwaaide breed lachend naar me. Met een gerust hart verliet ik met de andere ouders het bad om in het restaurant koffie te drinken.
Na de les kwam ze me met een grote grijns tegemoet. Ik bukte, zodat ze haar natte armen om mijn nek kon slaan. "Hoe was het?", vroeg ik, maar het antwoord had ik al afgelezen aan haar gezicht.
In de auto, op weg naar huis, vertelde ze honderduit over alles wat ze had gedaan en hoe leuk ze het vond. Inmiddels heeft ze een handjevol zwemlessen achter de rug. Met plezier zie ik haar iedere keer gaan en komen. De pret, het enthousiasme, de ervaring die ik haar zo gun. Waar ze haar hele leven mee vooruitkan. En die ze wellicht ooit mag beleven met haar eigen kinderen. Ze zal met een knipoog terugkijken naar de dag van vandaag.