dinsdag 12 april 2016

Eens in de 36 jaar

Lichte verwarring. Hier was het toch? Ik kijk verbaasd naar de gesloten poort. Binnen brandt geen licht. Ik controleer het op mijn smartphone. Datum en tijd kloppen. Maar nu? Verderop is nog een poort. Jawel, die is open. Ik loop over het tegelpad naar het schoolplein.
De laatste keer dat ik hier liep, was ik een kleuter. De herinnering aan de Franciscaner zuster G. is zoet. Ze was attent, ze was lief voor ons, kleuters. In gedachten zie ik haar voor me en hoor ik haar stem. Het brengt een glimlach op mijn gezicht. Rechts op het plein stonden onze moeders ons uit te zwaaien als we de kleuterschool naar binnen gingen. Ik hoef mijn ogen niet te sluiten om het tafereel voor me te zien, ook al is het meer dan veertig jaar geleden.
Ergens medio jaren tachtig werd de nieuwe basisschool tegen onze kleuterschool aan gebouwd. De oude school, ons prachtige schoolgebouw, werd gesloopt. Onderwijsvernieuwing heette dat. De deur staat open. Binnen hoor ik stemmen. Mijn hart begint sneller te kloppen. Daar staan ze: mijn klasgenoten van toen. En ik herken ze allemaal! Sommige hoofden zijn niet veranderd. Andere hoofden wel, maar ook die kan ik meteen een naam geven.
Uiteindelijk sta ik wat later tussen dertien oud-klasgenoten. Op een basisschoolklas van zo'n dertig leerlingen lijkt me dat een magere score. Sommige mensen wilden niet. Of konden niet. Of hebben zich afgemeld. Of zijn gewoon weggebleven. Het mag de pret niet drukken. Wie er is, is vrolijk.
Het lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan. Zeker als ook meester Van D. binnenloopt, de onderwijzer bij wie we onze basisschoolcarrière hebben afgesloten. Meester Van D., die ons heeft uitgezwaaid naar het middelbaar onderwijs, blijkt niet meer de grote, stoere vent van toen. Zijn snor is eraf, zijn haar is grijs en hij draagt een bril. Maar dat mag; de goede man is al lang en breed met pensioen. In de dagen dat hij ons bekwaam in model trapte, was hij jonger dan wij nu zijn, realiseer ik me als ik met hem sta te praten. Zijn stem is niet veranderd. Stilletjes zou ik best nog een keer les van hem willen - ik durf er geld om te verwedden dat meer mensen dat die avond hebben gedacht.
Sommige klasgenoten heb ik al 36 jaar niet meer gezien. Toch voelt het vertrouwd en warm, als een vriendengroep. Er wordt gelachen, er worden grapjes gemaakt. Ja, ook over buikjes, leesbrillen en kalende hoofden. Geen ontkomen aan. Gesprekken gaan over vroeger, over nu, over de tijd die verstreken is, over hoe die tijd verstreken is. Dienstplicht, opleidingen, werk, huwelijken, echtscheidingen, kinderen, overleden ouders. Ieder zijn eigen levensverhaal. En natuurlijk gaat het over zuster C., de strenge non die met harde hand haar school bestuurde. Ik had als kind aan angst grenzend ontzag voor haar markante verschijning, al was er in haar grote hart altijd plek voor alle kinderen - welgemeend en onvoorwaardelijk.
Dan is er de onvermijdelijke groepsfoto. De trappen van toen zijn er niet meer, dus deze keer posteren we ons bij een klimrek op het schoolplein. Eén klik en we zijn vereeuwigd. In tegenstelling tot 36 jaar geleden lacht iedereen. Wie van ons zal over 36 jaar nog naar deze foto kunnen kijken, vraag ik me de volgende ochtend af. Het antwoord wil ik niet weten. Is ook niet belangrijk. Het was een geslaagde reünie.

vrijdag 1 april 2016

Aan een bosrand met uitzicht over een veld

Met een glimlach keek hij naar de kartonnen doos met luchtgaatjes aan de bovenkant. 'Ik heet Turkie. Ik bijt niet!' stond in krabbelige kinderletters op de doos geschreven. "Ahaaa, jij bent dus Turkie," zei hij toen hij de doos opende en de hem toegezegde pup in zijn armen nam.
Turkie kwispelde bij de aanblik van de brede glimlach en gaf kopjes. Likte vrolijk aan de zongebruinde wangen en keek met ronde pretoogjes naar haar nieuwe baas. De blik werd beantwoord. Het was de geboorte van een onvoorwaardelijke vriendschap.
Mijn vader had haar aangeschaft als jachthond. Drijven, apporteren, blind vertrouwen op elkaar. Zowel in het veld als in het bos. Het was hun gegeven. Turkie - een ruwharige Duitse staander - had vliegensvlug in de gaten hoe het werkte. Ze bleek een meer dan intelligente hond. Begreep direct de kleinste handbeweging van mijn vader, volgde zijn blik en reageerde doeltreffend op een knipoog of een zacht fluitje.
Ook als gezinshond stond ze haar mannetje. Mijn broer, in die dagen nog een ukkepuk die amper lopen kon, mocht probleemloos in haar hok kruipen en bij haar liggen als ware hij haar eigen jong. Toen de groenteboer mijn moeder verzekerde dat hij het jochie er wel even uit zou halen, kon hij rekenen op een felle grom en ontblote tanden. Met knikkende knieën drukte hij mijn moeder op het hart dat het best goed zou komen met die twee daar in dat hok. Toen mijn vader wat later thuiskwam, duwde een kwispelende Turkie met haar natte neus mijn broer uit het hok. "Alles onder controle. We hebben samen gespeeld en ik heb gewaakt over hem. Nu komt-ie weer naar jou."
De vrolijke gezinshond had het meteen in de gaten als ze naar buiten gingen. Groene outfit, het jachtgeweer. De juiste geur en kleur, en ze stond op scherp. Vaak maakte ze zelf al haar hok open - opmerkelijk genoeg kon ze zelf het schuifje aan de buitenkant van het deurtje openen. Een vaardigheid die toch echt een mensenhand vergde, zo dacht mijn vader. Nee dus.
Zoals dat gaat, werd ook Turkie een dagje ouder. De vrolijke, fiere jachthond liep niet altijd meer even recht, en soms liet ook haar feilloos werkende jacht-instinct haar wel eens in de steek. Maar dat maakte niet uit. Vriendschap is vriendschap, ook als je het soms niet meer kunt bijbenen.

Tot mijn vader haar die ochtend niet in haar hok aantrof. Lichte paniek. Waar is ze? Alle zoektochten en navragen ten spijt, ze was onvindbaar. En blééf onvindbaar, maandenlang. Tot hij een seintje kreeg van een boer. "Zeg, had jij niet een jachthond die er zo-en-zo uitzag? Ga daar-en-daar eens kijken. Ik vond er het stoffelijk overschot van een hond en dat lijkt op die van jou."
Daar lag ze. In haar favoriete lighouding. Op haar zij. Precies op de plek waar ze samen zo vaak hadden gezeten, aan een bosrand met uitzicht over een veld. Waar hij altijd zachtjes met zijn rechterhand over haar rug had geaaid als hij in de verte tuurde. Hij wist het meteen. Dat ze die nacht zelf haar hok had opengemaakt, naar deze plek - haar favoriete plek - was gelopen, omdat ze wist dat haar einde naderde. Hier wilde ze zijn. En blijven.
Precies op die plek, haar plek, heeft hij haar begraven. Dat was het laatste wat hij voor haar kon doen. En dat voelde goed. Het was eind jaren zestig van de vorige eeuw. Tot aan zijn eigen dood, medio jaren tachtig, had hij het over haar. Over de hond die definitief een mooie plek had veroverd in zijn hart.
Als er een leven is na de dood, en als dat inderdaad zo romantisch is als we graag zouden willen, dan zijn ze samen. En zitten ze weer aan een bosrand met uitzicht over een veld. Met zijn rechterhand streelt hij zachtjes haar rug, terwijl ze naast hem ligt en met hem de verte in tuurt. Ze hebben het fijn. Samen.

dinsdag 5 januari 2016

Een ander ritme

Kamers hebben hier geen nummers, maar namen. Hoewel ik het kasteel ken, weet ik mijn naam - of althans, mijn kamer voor de komende dagen - niet te vinden. De aardige mevrouw loopt met me mee.
Ik steek de sleutel in het slot, hou even mijn adem in en open de deur. Mijn kamer heeft de welluidende naam Oosterkim. Voor me zie ik een kleine tweepersoons kamer. Gelukkig is-ie voor mij alleen, want met z'n tweeën zou het hier krap zijn. Mijn reistas zet ik op de grond en loop naar de dakkapel. Door het venster zie ik de slotgracht met vrolijk kwakende eenden. Daarachter een weiland, omzoomd door een beekje en bos. Veel bos. De zon lacht me toe. Ik lach terug. Fijn, ik ben er weer.

Het is mijn tweede bezoek aan deze plek. Vorig jaar was ik hier ook. En ook toen vond ik hier de rust en de stilte die ik zocht. Met aardige mensen om me heen die allemaal hetzelfde zochten. En vonden. Dit jaar zal het niet anders zijn.
Als ik aan het begin van de middag ga eten, loop ik A. tegen het lijf. Hij is er ook weer, net als toen. Samen met zijn vrouw. En ook met C. wissel ik een warme handdruk uit. Mensen met wie ik de komende dagen nog de nodige kopjes koffie drink en fijne gesprekken voer.
Tussen die kopjes koffie door zit ik rustig op mijn kamer. Achter het bureau aan het raam, waar ik in mijn schrijfmap aantekeningen maak. Met de vulpen die al zo'n 25 jaar in mijn rechterhand ligt, en die al heel wat van mijn gedachten en ideeën uit de kroon heeft laten vloeien. Tussendoor wandel ik door de bossen over het landgoed, waar ik in de modder mijn voetsporen achterlaat. I was here.
's Avonds wandel ik met een handjevol anderen steevast naar de naburige abdij voor de completen. Het monotone psalmengezang van de Benedictijner monniken tijdens hun dagsluiting maakt indruk. Iedere keer weer. En hoewel ik claim niet gelovig te zijn, lijkt het hier toch steeds alsof ik een hand op mijn schouder voel. Niet zomaar een hand, maar een Hand. Het is een gevoel dat bij me blijft als we door het donkere bos teruglopen, en dat me ervan weerhoudt om nog met de anderen een gezamenlijk wijntje te pakken in de gezellige huiskamer. Ik wil naar de stilte van mijn Oosterkim.

In de loop der dagen onthaast ik genadeloos. Het ritme van thuis vervliegt en lijkt bijna iets van lang geleden. Af en toe krijg ik een berichtje van het thuisfront - al dan niet met een foto van de kinderen. Ze maken het prima, redden het best zonder mijn aanwezigheid.
Dan komt na een paar dagen weer het onvermijdelijke afscheid. Niet alleen van de plek en de rust, maar ook van de mensen. En nog voordat ik die ochtend mijn laatste kopje koffie kan leegdrinken, staat mijn vrouw naast me. Wat later stap ik in de auto en rijden we het landgoed af. Weg van het rustieke, terug naar de bewoonde wereld. En net als vorig jaar toen ik hier wegreed, weet ik niet of ik hallo moet zeggen tegen mijn dagelijkse leven of tot ziens tegen de rust van deze karakteristieke plek. Ik blijf mezelf het antwoord schuldig. En dat is oké.