dinsdag 6 maart 2018

De vriendelijke mevrouw

De deurbel haalt me uit mijn concentratie. Mijn blik laat het beeldscherm los. Snel een slok koffie en dan naar de voordeur. Een vriendelijke, zwaar opgemaakte en netjes geklede mevrouw begroet me vrolijk. In haar handen een mooie flyer met groot het woord 'uitnodiging'.
Het behaagt de vriendelijke mevrouw mij uit te nodigen voor een religieus getinte bijeenkomst, waarbij Jezus centraal staat. Ze biedt me de flyer aan met een sympathieke glimlach. Met een minstens net zo sympathieke glimlach - ja, dat kan ik - zeg ik dat ik haar uitnodiging weliswaar erg attent vind, maar dat ik toch niet zo van het religieus aangelegde soort ben.
"Gelooft u in God?" vraagt ze met haar onverwoestbare glimlach. "Dat is een interessante vraag," opper ik oprecht. Want ik zie God niet zozeer als die oude, alwetende man met een lange, grijze baard die het om voor mij onbegrijpelijke redenen goed vindt dat er oorlogen worden gevoerd en dat kinderen onrecht wordt aangedaan. Voor mij is God meer een onuitputtelijke bron van universele energie en inspiratie, een bron de ik vooral in mezelf moet zoeken in plaats van in een zogenaamde hemel.

Ze blijft me glimlachend aankijken. En ik haar. Want ik spiegel graag menselijk gedrag; wat je me geeft, krijg je terug. "Heeft u uw ideeën wel eens onderzocht?" vraagt ze geïnteresseerd. Welja, tuurlijk heb ik dat. Niet als wetenschappelijk onderzoeker, dat spreekt. Maar wel in conversatie met mensen die een ruime kijk hebben op de soms gespannen relatie tussen religie en mensheid. Interessant, dat zeker.
Ze neemt het graag van me aan, zegt ze. "Heeft u ook de Bijbel gelezen?" is haar volgende vraag. "Wat heet," zeg ik. "Ik heb 'm niet gelezen van a tot z, maar ik geloof dat ik wel tot de k ben gekomen," antwoord ik met een zelfde glimlach als die van haar.  Ze vraagt wat ik ervan vond. "De Bijbel is interessant, maar ook lastig," antwoord ik naar eer en geweten. "Ik vind de Bijbel vaak moeilijk te interpreteren. En ik ben niet de enige op deze planeet die daar last van heeft. Genoeg geleerden die er onderling ook niet uitkomen."
Haar wenkbrauwen schieten omhoog. "Maar u hoeft de Bijbel ook niet te interpreteren," werpt ze tegen. "U moet gewoon doen wat er staat!" Ik vraag haar of ze daarmee bedoelt dat ik de Bijbel moet zien als een soort handleiding voor het leven. Ze twijfelt even, maar zegt dan toch ja.
"Maar als ik de Bijbel niet hoef te interpreteren, dan hoef ik 'm ook niet te lezen. Als ik niets interpreteer, hoef ik ook geen moeite te doen te begrijpen wat er staat, en dan kan ik 'm ook onmogelijk zien als een handleiding. Dan is lezen dus zinloos."
Ik zie een gefronst voorhoofd. Ze lijkt licht uit haar evenwicht geduwd, maar blijft dan tóch vriendelijk glimlachen. Ze wil iets zeggen, maar ik ben haar te snel af. "Het lijkt me een goed plan dat we hier nu niet verzanden in een discussie," zeg ik. "Daarvoor ben ik nu te druk. Maar ik vond het wel leuk hierover even met u te praten." Ze is het met me eens en wenst me een fijne dag. Ik wens haar niets minder.
Even later zit ik weer achter mijn beeldscherm. Hoewel ik religie niet zie als een product dat je slijt aan de voordeur, vind ik deze gesprekjes soms wel leuk. De vriendelijke mevrouw mag vaker aanbellen. Echt waar.

maandag 26 februari 2018

Naar de hamburgergigant

We komen uit het zwembad en de kinderen hebben honger. Niet zo gek ook. De lunch ligt al de nodige uren achter ons. Ik kijk op mijn horloge. De tijdzone die de mensheid etenstijd pleegt te noemen komt gevaarlijk dicht in de buurt. Toegegeven, ik lust inmiddels ook wel wat.
Mijn nazaten maken er geen geheim van. Ze hebben zin in patat. Patat. Van al het eten waar ik nu géén zin in heb, staat patat het hoogst genoteerd. Mijn vrouw kijkt me met gefronste wenkbrauwen aan. Ja, ach, we rijden gewoon naar 's werelds bekendste hamburgergigant. Ik doe er mezelf geen plezier mee - mijn vrouw evenmin. De kinderen worden er in ieder geval blij van, en dat is ook al wat.

Om te bestellen hoef je er tegenwoordig niet meer naar de balie. Je tikt op een groot touchscreen aan wat je wenst - het idee bevalt me. De prijs van het feestmaal niet. Voor een hoopje patat, een paar burgers, wat kipnuggets en iets te drinken betaal ik ijskoud dertig daverende euri's.
Op logistiek gebied hoef je ze hier niets te leren, want voordat we naar een tafeltje zijn gelopen, zie ik op een scherm dat onze bestelling al klaar is. Terwijl de kinderen hun jassen nog staan uit te trekken schuif ik twee gevulde dienbladen voor de drie hongerige kinderneuzen en voor mijn vrouw.
Meer verpakkingsmateriaal dan eten, bedenk ik als het zo bekijk. Met links gluur ik nog even naar het kassabonnetje. Had ik niet moeten doen, want mijn honger is gelijk verdwenen. Al kan dat ook komen door de gezouten patat. Terwijl ik er mijn vingers aan vuil maak, vraag ik me af waar ik het meeste voor betaal: voor het zout dat erover is gestrooid of voor de patat zelf. Met het zout dat op mijn portie Franse friet ligt, kunnen ze bij Rijkswaterstaat de A2 tussen Utrecht en Maastricht een hele week lang sneeuw- en ijsvrij houden.
Ik zie mijn kinderen vrolijk eten. Als ik vraag of het smaakt, knikken ze alle drie volmondig ja - met de nadruk op volmondig. Over smaak valt kennelijk niet te twisten, zelfs niet met je kinderen. Ik stel de vraag niet aan mijn vrouw; haar smaakbeleving lijkt enigszins op die van mij.

Mijn gevoelens voor deze tent zijn eind jaren tachtig definitief beklonken toen ik het boek 'Ganz unten' las van Günther Walraff. Deze Duitse journalist werkte twee jaar lang undercover als Turkse gastarbeider bij allerlei bedrijven in het toenmalige West-Duitsland. Zo ook bij deze hamburgergigant. Zijn bevindingen logen er niet om.
Inmiddels ligt op de twee dienbladen alleen nog verfrommeld verpakkingsmateriaal - een fikse berg, het moet gezegd. De buikjes zijn gevuld, de gezichtsuitdrukkingen staan op tevreden. Alhoewel, ze willen nog graag een toetje. Nog voordat ik het woord 'fastfood' kan uitspreken, sta ik weer aan het touchscreen voor drie milkshakes, een ijskoffie en een ijsje. Vijftien euro lichter en met een vol dienblad loop ik terug naar onze tafel.
De teller staat op 45 euro, constateer ik met hetzelfde gemak als waarmee ik constateer dat ik mijn aanbevolen dagelijkse hoeveelheid suiker, zout en verzadigde vetten vorstelijk heb overschreden. Het kost een paar cent, maar dan héb je ook wat. Ik wil weg. Ik wil naar huis. En ik heb honger.

dinsdag 14 november 2017

Kijken naar de herfst

De lucht is grijs en grauw. Het ziet er regenachtig uit. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin. "Kom, we gaan kijken naar de herfst," zeg ik tegen het tweetal terwijl ik de auto afsluit en de sleutel in een van de grote borstzakken verstop.
Zo graag als ik alleen mijn boswandelingen maak, zo gezellig vind ik het om deze keer mijn twee jongste kinderen mee te nemen. Ik pas mijn ferme tred er graag op aan. Ze hebben er zin in. Ik ook.

Het is herfst. De groene jas van moeder natuur kleurt steeds roder en bruiner. Ik heb een zwak voor de herfst, of eigenlijk voor de kleuren van de herfst. De natuur sterft stilletjes af en maakt zich op voor de stille koude van de winter.
A. (5) en L. (7) stappen vrolijk kletsend met me mee op hun blauwe laarsjes. Ik laat hun de herfst goed bekijken. Vraag welke kleuren ze allemaal zien en welke ze de mooiste vinden. Ik wijs bomen aan die nog opvallend groen zijn, we kijken naar konijnenkeutels, luisteren naar vogelgeluiden. En ja, daar zijn de onvermijdelijke paddenstoelen.

Ondertussen dwaal ik in gedachten af naar mijn eigen kinderjaren. Toen mijn vader me vertelde over de tekeningen van Rien Poortvliet. Prachtige tekeningen waarin hij de natuur vaak vastlegde als iets romantisch. Ik raak er nog altijd niet op uitgekeken. Maar ik associeer Poortvliet uiteindelijk nog het meest met zijn kabouters. Als kabouters bestaan, dan zien ze eruit zoals hij ze heeft getekend. Zeker weten.
A. en L. vinden het leuk in het bos. Ik laat ze beurtelings foto's maken van de omgeving. Stil en geamuseerd kijk ik toe hoe ze zich vermaken met mijn telefoon en de natuur. Ook de paddenstoelen krijgen hun volle aandacht. Ik vertel hoe kabouters hun weg door het groen banen en stiekem hun intrek nemen in een paddenstoel - het liefst een rode. Met witte stippen.
Met respect voor wat leeft, laat ik ze de paddenstoelen van dichtbij bekijken. En fotograferen. Kabouters zijn in de verste verte niet te zien. "Nee, kabouters houden niet zo van mensen," grap ik tegen mijn dochtertje L. "Wij zijn te groot en maken te veel lawaai."
Vol interesse bekijken we een vermolmde boomstam waarlangs paddenstoelen in lagen groeien. "Dat is nou een flatgebouw voor kabouters," lach ik. De twee lachen met me mee.

De befaamde vliegenzwam komen we die middag niet tegen. De paddenstoel der paddenstoelen, waarin de roodgemutste kabouters van Rien Poortvliet zonder uitzondering hun intrek nemen. Wel talloze andere paddenstoelen in alle soorten en maten. Sommige zo klein dat ze amper met hun hoed boven de herfstbladeren uitsteken die de bodem weelderig bedekken.
Als ons herfstrondje compleet is, zijn we zowat bij de auto. "Papa, dat was een superwandeling," vertrouwt L. met toe als we naar huis rijden. Het is een opmerking waar ik vrolijk van word. Even later, thuis, zitten ze al snel achter de ranja en iets te knabbelen. De natuur lijkt weer uit hun belevingswereld verdwenen.