We komen uit het zwembad en de kinderen hebben honger. Niet zo gek ook. De lunch ligt al de nodige uren achter ons. Ik kijk op mijn horloge. De tijdzone die de mensheid etenstijd pleegt te noemen komt gevaarlijk dicht in de buurt. Toegegeven, ik lust inmiddels ook wel wat.
Mijn nazaten maken er geen geheim van. Ze hebben zin in patat. Patat. Van al het eten waar ik nu géén zin in heb, staat patat het hoogst genoteerd. Mijn vrouw kijkt me met gefronste wenkbrauwen aan. Ja, ach, we rijden gewoon naar 's werelds bekendste hamburgergigant. Ik doe er mezelf geen plezier mee - mijn vrouw evenmin. De kinderen worden er in ieder geval blij van, en dat is ook al wat.
Om te bestellen hoef je er tegenwoordig niet meer naar de balie. Je tikt op een groot touchscreen aan wat je wenst - het idee bevalt me. De prijs van het feestmaal niet. Voor een hoopje patat, een paar burgers, wat kipnuggets en iets te drinken betaal ik ijskoud dertig daverende euri's.
Op logistiek gebied hoef je ze hier niets te leren, want voordat we naar een tafeltje zijn gelopen, zie ik op een scherm dat onze bestelling al klaar is. Terwijl de kinderen hun jassen nog staan uit te trekken schuif ik twee gevulde dienbladen voor de drie hongerige kinderneuzen en voor mijn vrouw.
Meer verpakkingsmateriaal dan eten, bedenk ik als het zo bekijk. Met links gluur ik nog even naar het kassabonnetje. Had ik niet moeten doen, want mijn honger is gelijk verdwenen. Al kan dat ook komen door de gezouten patat. Terwijl ik er mijn vingers aan vuil maak, vraag ik me af waar ik het meeste voor betaal: voor het zout dat erover is gestrooid of voor de patat zelf. Met het zout dat op mijn portie Franse friet ligt, kunnen ze bij Rijkswaterstaat de A2 tussen Utrecht en Maastricht een hele week lang sneeuw- en ijsvrij houden.
Ik zie mijn kinderen vrolijk eten. Als ik vraag of het smaakt, knikken ze alle drie volmondig ja - met de nadruk op volmondig. Over smaak valt kennelijk niet te twisten, zelfs niet met je kinderen. Ik stel de vraag niet aan mijn vrouw; haar smaakbeleving lijkt enigszins op die van mij.
Mijn gevoelens voor deze tent zijn eind jaren tachtig definitief beklonken toen ik het boek 'Ganz unten' las van Günther Walraff. Deze Duitse journalist werkte twee jaar lang undercover als Turkse gastarbeider bij allerlei bedrijven in het toenmalige West-Duitsland. Zo ook bij deze hamburgergigant. Zijn bevindingen logen er niet om.
Inmiddels ligt op de twee dienbladen alleen nog verfrommeld verpakkingsmateriaal - een fikse berg, het moet gezegd. De buikjes zijn gevuld, de gezichtsuitdrukkingen staan op tevreden. Alhoewel, ze willen nog graag een toetje. Nog voordat ik het woord 'fastfood' kan uitspreken, sta ik weer aan het touchscreen voor drie milkshakes, een ijskoffie en een ijsje. Vijftien euro lichter en met een vol dienblad loop ik terug naar onze tafel.
De teller staat op 45 euro, constateer ik met hetzelfde gemak als waarmee ik constateer dat ik mijn aanbevolen dagelijkse hoeveelheid suiker, zout en verzadigde vetten vorstelijk heb overschreden. Het kost een paar cent, maar dan héb je ook wat. Ik wil weg. Ik wil naar huis. En ik heb honger.
Dit is de weblog van Paul Gubbels. Hier schrijf ik met enige regelmaat korte stukjes over van alles wat mij op- en invalt.
maandag 26 februari 2018
dinsdag 14 november 2017
Kijken naar de herfst
De lucht is grijs en grauw. Het ziet er regenachtig uit. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin. "Kom, we gaan kijken naar de herfst," zeg ik tegen het tweetal terwijl ik de auto afsluit en de sleutel in een van de grote borstzakken verstop.
Zo graag als ik alleen mijn boswandelingen maak, zo gezellig vind ik het om deze keer mijn twee jongste kinderen mee te nemen. Ik pas mijn ferme tred er graag op aan. Ze hebben er zin in. Ik ook.
Het is herfst. De groene jas van moeder natuur kleurt steeds roder en bruiner. Ik heb een zwak voor de herfst, of eigenlijk voor de kleuren van de herfst. De natuur sterft stilletjes af en maakt zich op voor de stille koude van de winter.
A. (5) en L. (7) stappen vrolijk kletsend met me mee op hun blauwe laarsjes. Ik laat hun de herfst goed bekijken. Vraag welke kleuren ze allemaal zien en welke ze de mooiste vinden. Ik wijs bomen aan die nog opvallend groen zijn, we kijken naar konijnenkeutels, luisteren naar vogelgeluiden. En ja, daar zijn de onvermijdelijke paddenstoelen.
Ondertussen dwaal ik in gedachten af naar mijn eigen kinderjaren. Toen mijn vader me vertelde over de tekeningen van Rien Poortvliet. Prachtige tekeningen waarin hij de natuur vaak vastlegde als iets romantisch. Ik raak er nog altijd niet op uitgekeken. Maar ik associeer Poortvliet uiteindelijk nog het meest met zijn kabouters. Als kabouters bestaan, dan zien ze eruit zoals hij ze heeft getekend. Zeker weten.
A. en L. vinden het leuk in het bos. Ik laat ze beurtelings foto's maken van de omgeving. Stil en geamuseerd kijk ik toe hoe ze zich vermaken met mijn telefoon en de natuur. Ook de paddenstoelen krijgen hun volle aandacht. Ik vertel hoe kabouters hun weg door het groen banen en stiekem hun intrek nemen in een paddenstoel - het liefst een rode. Met witte stippen.
Met respect voor wat leeft, laat ik ze de paddenstoelen van dichtbij bekijken. En fotograferen. Kabouters zijn in de verste verte niet te zien. "Nee, kabouters houden niet zo van mensen," grap ik tegen mijn dochtertje L. "Wij zijn te groot en maken te veel lawaai."
Vol interesse bekijken we een vermolmde boomstam waarlangs paddenstoelen in lagen groeien. "Dat is nou een flatgebouw voor kabouters," lach ik. De twee lachen met me mee.
De befaamde vliegenzwam komen we die middag niet tegen. De paddenstoel der paddenstoelen, waarin de roodgemutste kabouters van Rien Poortvliet zonder uitzondering hun intrek nemen. Wel talloze andere paddenstoelen in alle soorten en maten. Sommige zo klein dat ze amper met hun hoed boven de herfstbladeren uitsteken die de bodem weelderig bedekken.
Als ons herfstrondje compleet is, zijn we zowat bij de auto. "Papa, dat was een superwandeling," vertrouwt L. met toe als we naar huis rijden. Het is een opmerking waar ik vrolijk van word. Even later, thuis, zitten ze al snel achter de ranja en iets te knabbelen. De natuur lijkt weer uit hun belevingswereld verdwenen.
Zo graag als ik alleen mijn boswandelingen maak, zo gezellig vind ik het om deze keer mijn twee jongste kinderen mee te nemen. Ik pas mijn ferme tred er graag op aan. Ze hebben er zin in. Ik ook.
Het is herfst. De groene jas van moeder natuur kleurt steeds roder en bruiner. Ik heb een zwak voor de herfst, of eigenlijk voor de kleuren van de herfst. De natuur sterft stilletjes af en maakt zich op voor de stille koude van de winter.
A. (5) en L. (7) stappen vrolijk kletsend met me mee op hun blauwe laarsjes. Ik laat hun de herfst goed bekijken. Vraag welke kleuren ze allemaal zien en welke ze de mooiste vinden. Ik wijs bomen aan die nog opvallend groen zijn, we kijken naar konijnenkeutels, luisteren naar vogelgeluiden. En ja, daar zijn de onvermijdelijke paddenstoelen.
Ondertussen dwaal ik in gedachten af naar mijn eigen kinderjaren. Toen mijn vader me vertelde over de tekeningen van Rien Poortvliet. Prachtige tekeningen waarin hij de natuur vaak vastlegde als iets romantisch. Ik raak er nog altijd niet op uitgekeken. Maar ik associeer Poortvliet uiteindelijk nog het meest met zijn kabouters. Als kabouters bestaan, dan zien ze eruit zoals hij ze heeft getekend. Zeker weten.
A. en L. vinden het leuk in het bos. Ik laat ze beurtelings foto's maken van de omgeving. Stil en geamuseerd kijk ik toe hoe ze zich vermaken met mijn telefoon en de natuur. Ook de paddenstoelen krijgen hun volle aandacht. Ik vertel hoe kabouters hun weg door het groen banen en stiekem hun intrek nemen in een paddenstoel - het liefst een rode. Met witte stippen.
Met respect voor wat leeft, laat ik ze de paddenstoelen van dichtbij bekijken. En fotograferen. Kabouters zijn in de verste verte niet te zien. "Nee, kabouters houden niet zo van mensen," grap ik tegen mijn dochtertje L. "Wij zijn te groot en maken te veel lawaai."
Vol interesse bekijken we een vermolmde boomstam waarlangs paddenstoelen in lagen groeien. "Dat is nou een flatgebouw voor kabouters," lach ik. De twee lachen met me mee.
De befaamde vliegenzwam komen we die middag niet tegen. De paddenstoel der paddenstoelen, waarin de roodgemutste kabouters van Rien Poortvliet zonder uitzondering hun intrek nemen. Wel talloze andere paddenstoelen in alle soorten en maten. Sommige zo klein dat ze amper met hun hoed boven de herfstbladeren uitsteken die de bodem weelderig bedekken.
Als ons herfstrondje compleet is, zijn we zowat bij de auto. "Papa, dat was een superwandeling," vertrouwt L. met toe als we naar huis rijden. Het is een opmerking waar ik vrolijk van word. Even later, thuis, zitten ze al snel achter de ranja en iets te knabbelen. De natuur lijkt weer uit hun belevingswereld verdwenen.
dinsdag 27 juni 2017
De collectant
Spitsuur in de keuken. Ik sta druk te snijden, te wassen, te koken en te bakken. Over een kwartier komt mijn vrouw thuis en dan wil ik het eten zowat klaar hebben. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een blonde jongeman mijn woning naderen. Handig, zo'n keukenraam dat uitkijkt op de voordeur.
Er wordt aangebeld. Pfff, niet nu. Dat zou al de derde collectant deze week zijn. Vermoeiend. Bovendien nadert de pastasaus zijn vervolmaking, dus ik wil het kort houden.
Met lichte tegenzin open ik de voordeur. Voor me staat inderdaad de blonde jongeman. Rap kapsel, strak getrimd baardje, keurig en kleurig gekleed. Rechts een collectebus van Kika. Over goede doelen gesproken. In een tiende van een seconde heb ik hem in me opgenomen. "Hee, alles goed?", werpt hij me amicaal toe.
Hee, alles goed? Die moet ik even laten bezinken, merk ik. Hee, alles goed. Zo begroet ik mijn vrienden, sommige naaste familieleden en wat soortgenoten die me na aan het hart liggen. "Dat zeg je niet zomaar," geef ik hem terug. Mijn blik is dan al afgedwaald naar zijn collectebus. "Ik weet ook niet of ik dit de juiste manier vind om een gesprek te beginnen zoals jij dat nu met mij beginnen wil."
De jongeman is duidelijk van zijn stuk gebracht. Ik kijk hem strak aan, 'n beetje streng.
"Dag meneer. Ik kom collecteren voor Kika. Kent u Kika toevallig?"
"Ja, ik ken Kika toevallig," zeg ik. Om een reden die ik inmiddels vergeten ben, heb ik een van de voorafgaande dagen de website van Kika bezocht. Maar dat hoeft hij niet te weten.
"Nou, dan weet u vast wel dat Kika zich ten doel stelt om..."
"... de genezingskansen bij kinderkanker te verhogen. En om de kwaliteit van behandelmethoden te verbeteren. En daarvoor is geld nodig. Veel geld. En om precies die reden zijn jullie nu aan het collecteren."
Hij kijkt me aan met een onzekere glimlach. Wat moet ik met die vent, zie ik hem denken. De collectebus komt omhoog. Demonstratief rammelt hij er een keer mee. "Inderdaad. Mag ik u daarom vragen om een bijdrage in de strijd tegen kinderkanker?" Hij blijft netjes in zijn rol. Doet-ie goed. Maar hij irriteert me. Die begroeting. Alsof we samen in de schoolbanken hebben gezeten.
De beslissing heb ik dan al genomen. "Dat mag je me best vragen. Maar ik ga niets in je collectebus gooien. Ik stort deze week mijn bijdrage op de rekening van Kika."
De gestrekte rechterarm gaat terug naar zijn lichaam. "Dat mag, meneer. Dan wil ik u namens Kika graag bedanken voor uw bijdrage," zegt hij gemaakt enthousiast.
De deur valt vredig in het slot en ik loop snel terug naar mijn pruttelende pastasaus. "Ben je hier al geweest?", hoor ik buiten een meisjesstem roepen. Ik zie een donkerharig meisje wijzen naar mijn voordeur. De stem van de jongen roept iets terug wat ik niet versta. Het maakt me ook niet uit wat hij roept. Of denkt. Hij vindt me vast een rare vogel. En dat ben ik. Soms. Een rare vogel.
Er wordt aangebeld. Pfff, niet nu. Dat zou al de derde collectant deze week zijn. Vermoeiend. Bovendien nadert de pastasaus zijn vervolmaking, dus ik wil het kort houden.
Met lichte tegenzin open ik de voordeur. Voor me staat inderdaad de blonde jongeman. Rap kapsel, strak getrimd baardje, keurig en kleurig gekleed. Rechts een collectebus van Kika. Over goede doelen gesproken. In een tiende van een seconde heb ik hem in me opgenomen. "Hee, alles goed?", werpt hij me amicaal toe.
Hee, alles goed? Die moet ik even laten bezinken, merk ik. Hee, alles goed. Zo begroet ik mijn vrienden, sommige naaste familieleden en wat soortgenoten die me na aan het hart liggen. "Dat zeg je niet zomaar," geef ik hem terug. Mijn blik is dan al afgedwaald naar zijn collectebus. "Ik weet ook niet of ik dit de juiste manier vind om een gesprek te beginnen zoals jij dat nu met mij beginnen wil."
De jongeman is duidelijk van zijn stuk gebracht. Ik kijk hem strak aan, 'n beetje streng.
"Dag meneer. Ik kom collecteren voor Kika. Kent u Kika toevallig?"
"Ja, ik ken Kika toevallig," zeg ik. Om een reden die ik inmiddels vergeten ben, heb ik een van de voorafgaande dagen de website van Kika bezocht. Maar dat hoeft hij niet te weten.
"Nou, dan weet u vast wel dat Kika zich ten doel stelt om..."
"... de genezingskansen bij kinderkanker te verhogen. En om de kwaliteit van behandelmethoden te verbeteren. En daarvoor is geld nodig. Veel geld. En om precies die reden zijn jullie nu aan het collecteren."
Hij kijkt me aan met een onzekere glimlach. Wat moet ik met die vent, zie ik hem denken. De collectebus komt omhoog. Demonstratief rammelt hij er een keer mee. "Inderdaad. Mag ik u daarom vragen om een bijdrage in de strijd tegen kinderkanker?" Hij blijft netjes in zijn rol. Doet-ie goed. Maar hij irriteert me. Die begroeting. Alsof we samen in de schoolbanken hebben gezeten.
De beslissing heb ik dan al genomen. "Dat mag je me best vragen. Maar ik ga niets in je collectebus gooien. Ik stort deze week mijn bijdrage op de rekening van Kika."
De gestrekte rechterarm gaat terug naar zijn lichaam. "Dat mag, meneer. Dan wil ik u namens Kika graag bedanken voor uw bijdrage," zegt hij gemaakt enthousiast.
De deur valt vredig in het slot en ik loop snel terug naar mijn pruttelende pastasaus. "Ben je hier al geweest?", hoor ik buiten een meisjesstem roepen. Ik zie een donkerharig meisje wijzen naar mijn voordeur. De stem van de jongen roept iets terug wat ik niet versta. Het maakt me ook niet uit wat hij roept. Of denkt. Hij vindt me vast een rare vogel. En dat ben ik. Soms. Een rare vogel.
Abonneren op:
Posts (Atom)

