woensdag 6 april 2011

Dokter O.

Hij roept me uit de wachtkamer en geeft me een hand. Mijn nieuwe huisarts. Een jonge vent nog. Zou hij al dertig zijn? Samen betreden we zijn behandelkamer.
Ik doe niet vaak een beroep op huisartsen. Nu niet, vroeger niet. Ik herinner me nog al te goed de huisarts van vroeger. De man van middelbare leeftijd, met zijn strakke stropdas, keurige snor en kalende hoofd. Zijn rustige stem, zijn kalme, trefzekere optreden. Dát was een huisarts.
Misschien ben ik wel ouwerwets, maar als ik het woord ‘huisarts’ hoor, dan moet ik wel aan een dergelijk soort man denken.
Mijn moeder liet hem mijn kamertje binnen toen ik met een forse griep in bed lag. Hij zette zijn hoed af en legde die op de stoel. Hij ging op de rand van mijn bed zitten. “Dag, Paul. Vertel me eens hoe jij je vandaag voelt.”
En ik vertelde, terwijl hij al begon te graaien in zijn grote tas. Houtje op mijn tong, ‘aaaa’ zeggen, lampje in mijn oren en recept voorschrijven. Hij gaf me vervolgens een plechtige handdruk, zette zijn hoed op en verdween weer in het niets. En ik bleef achter met het gevoel dat ik nu wél razendrap gezond zou zijn. Wat overigens doorgaans ook zo was.
Ik vertel de jonge arts hoe ik mij voel en wat me bij hem brengt. Hij laat vluchtig een apparaatje in mijn oor piepen en komt achter me staan. Luistert met zijn stethoscoop naar mijn ademhaling en zit snel weer op zijn stoel.
Hij begint wat te typen op zijn pc en stelt terloops nog wat vragen. Via één muisklik faxt hij mijn recept naar de apotheek. Als hij me de deur uit wil kijken, vraag ik hem nog of het raadzaam is dat ik al ga werken. Een diplomatiek antwoord volgt. Ik kan er geen touw aan vastknopen, maar dat is vast de bedoeling.
Later op de dag loop ik bij de apotheek binnen. Mijn recept? De assistente kijkt me aan alsof ik van Mars kom. Ja, trut, ik heb ’t ruimtepak nog aan. Ik mag vervolgens zelf naar de huisarts bellen, waar de assistente me vertelt dat ze het recept nu alsnog een keer faxt.
Ongetwijfeld weer met één muisklik.
Zucht.
Stilletjes verlang ik naar die keurige huisarts van vroeger.

donderdag 10 maart 2011

Tatoeage

Snel wat inkopen gedaan in de stad. Nu nog even afsluiten met een cappuccino bij mijn favoriete koffietentje. Ik zoek een rustige plek uit en plof neer.
Op bestelling zet een serveerster wat later mijn welverdiende cappuccino voor me neer. Haar linkerpols wordt gesierd door een opvallende tatoeage. Ik zie allerlei sierlijke krullen. Het lijken wel letters uit een antiek geschrift, maar zeker weet ik het niet. Nieuwsgierig als ik ben, besluit ik het haar te vragen als de gelegenheid zich daartoe aandient.
Nog een paar keer loopt ze langs me, en steeds dwaalt mijn blik af naar die pols.
Als de bodem van mijn kop cappuccino me witjes aankijkt, sta ik op en trek mijn jas aan. Ze staat bij de kassa. Tijdens het afrekenen spreek ik haar aan op de tatoeage.
Ze kijkt me even verward aan. Dan verschijnt er een open blik. Het blijken de initialen van haar ouders te zijn.
“Mijn ouders zijn gescheiden. Mijn vader is Russisch. Hij is na de scheiding teruggegaan naar zijn vaderland. Ik zie hem amper nog. Nu heeft hij kanker en wordt hij daarvoor behandeld, maar het gaat niet goed met hem.”
Ze vertelt me kort over zijn slopende ziekte. Over het contact op afstand. De pijn die haar dat doet. En hoe graag ze hem zou willen steunen. Maar sommige afstanden zijn nou eenmaal onoverbrugbaar.
En hoewel haar ouders gescheiden zijn, is ze zich er erg van bewust dat zij als een brug tussen de twee staat. Ze hebben haar gevormd, haar gebracht tot waar ze nu is.
“En dat wil ik graag onvoorwaardelijk en altijd bij me dragen,” zegt ze krachtig. “Ook als papa doodgaat.”
De symboliek vind ik mooi, al zou ik er zelf geen tatoeage voor over hebben.
Als ik buiten kom, maakt een koude bries een eind aan mijn gedachten. Alles is vergankelijk. Daar verandert een tatoeage niets aan.

woensdag 2 maart 2011

Vertrouwen

Voorzichtig nip ik aan mijn glas wijn. Buiten, in de verte, klinken de doffe klappen van vuurwerk. Door de gordijnen zie ik de lichtflitsen die horen bij siervuurwerk. De jaarwisseling ligt alweer een tijdje achter ons, dus ik vraag me af welke reden iemand heeft om nu dit vuurwerk af te steken.
Kindergehuil haalt me plots uit mijn gedachten. Mijn vrouw en ik kijken elkaar even aan. Ik spring op en loop naar de slaapkamer van het grote kleine meisje.
Ze staat rechtop in haar bed en kijkt me verschrikt aan met vochtige oogjes. “Papa! Papa!” Ze strekt haar armen naar me uit, ten teken dat ik haar moet oppakken.
Ik til haar op en spreek haar lieflijk toe. Buiten nog steeds knallen en lichtflitsen. Ik besluit met haar naar het raam te lopen en de gordijnen te openen. Samen kijken we naar het vuurwerk, dat een paar straten verder de hemel in knalt.
Al snel is ze het met me eens dat vuurwerk best mooi is om naar te kijken. Met grote ogen kijkt ze uit het raam. Ik trek haar rillende, kleine lijfje tegen me aan. Geleidelijk wordt ze rustiger.
Als de gekleurde sterrenregen en het geknal ophouden, sluit ik de gordijnen en loop ik door het donker terug naar haar bed. Onder het vage schijnsel van haar Nijntje-bedlamp leg ik haar onder haar dekbed.
Zenuwachtig en vragend kijkt ze me aan. Ik zing haar favoriete slaapliedje, terwijl ik haar hand vasthoud.

In ’t groene dal, in ’t stille dal
waar kleine bloempjes bloeien

Het kinderhandje ontspant. Haar ogen worden kleiner.

daar ruist een blanke waterval
en druppels vallen overal

Haar pupillen draaien weg. Oogjes vallen dicht, maar gaan toch ook weer even open.

om ieder bloempje te besproeien,
ook het kleinste, ook het kleinste…

De oogjes zijn nu dicht. Ik leg haar hand onder het dekbed en zie toe hoe vredig ze in slaap is gevallen. Vol vertrouwen.
Ik krijg het warm en koud tegelijk. Wat is het mooi om papa te zijn.